17 oktober 2007
Talloze mensen hebben ooit al eens de pelgrimstocht naar Santiago de Compostella gemaakt. Jaren geleden deed de schrijver Cees Nooteboom het.
“Mijn reis is een omweg geworden van samengestelde omwegen, en zelfs daarvan laat ik mij afleiden,” schreef hij in zijn boek ‘De omweg naar Santiago’. Dat is de cruciale ontdekking die Nooteboom deed: de weg naar het heilige bestaat niet anders dan als een omweg.
Duizenden mensen hebben eerder die pelgrimstocht gemaakt en zullen dat in de toekomst doen. Ze worden gedreven door het verlangen minstens eenmaal in hun leven die grote kathedraal binnen te gaan. Wellicht hopen zij daar het heilige te ervaren, of een glimp van God op te vangen.
Ook Nooteboom legt die lange reis af. De tocht voert hem door heel Spanje. Hij doet talloze gehuchten, dorpen en steden aan alvorens hij de pelgrimsstad binnengaat. Hij bezoekt café's, hotels en particuliere huizen, voordat hij de gewijde kathedraal betreedt. De weg naar het heilige blijkt een eindeloos lange weg te zijn die in de verste verte niet recht op het doel afgaat. Integendeel, elke stad blijkt een uitnodiging te bevatten om toch een dag langer te blijven. En daarna is de verleiding groot om ook nog een nabijliggend dorp te bezoeken. Elke ontmoeting loopt uit op het verzoek nog iemand te leren kennen en elk gesprek vraagt om een vervolg. Elke weg kent zijn zijwegen en elke omweg leidt weer naar volgende omwegen.
Het heilige ligt niet voor het grijpen, zo ervaart de pelgrim. Het is niet een aanwijsbaar doel waar je volgens een vooropgesteld plan naar toe kunt werken. De afstand tussen God en mens is geen zaak van hemelsbreedte. Het is niet een rechte lijn die je kunt trekken als de kortste verbinding tussen twee punten. Alleen via een omweg kun je het heilige bereiken. De weg naar God is de omweg via de mens. Het heilige laat zich niet afzonderen van de wereld. En dat had de gelovige misschien juist wel gedacht. Wat heilig is, is toch afgezonderd en apart gesteld van de rest?
De pelgrim Nooteboom ontdekt bij zijn omzwervingen dat het heilige juist in het gewone moet worden gezocht. Alleen wie zich mengt in de wereld en tussen de mensen, kan sporen van God ontwaren. Niet als iets ver ‘daarboven’ of ‘daarbuiten’ of ‘daarna’, maar als iets wat er middenin zit. De weg naar God voert langs de mensen en hun leefwereld.
Jezus zelf trekt volgens het evangelie van het ene huis naar het andere, en van dorp naar stad om steeds weer andere mensen te kunnen ontmoeten. En overal is er wel een reden om langer te blijven, om nog een gesprek te voeren of nog een verhaal aan te horen.
In het boek de Handelingen der Apostelen staat een mooi verhaal over de omweg die de apostel Filippus moet maken. Het verhaal vertelt over de ontmoeting van Filippus met een man uit Ethiopië, een hoge ambtenaar van de koningin van zijn land. Vóór die ontmoeting en meteen daarna bevindt Filippus zich ergens anders. Maar Gods Geest brengt hem van zijn oorspronkelijke weg af zodat hij de Ethiopiër kan ontmoeten. Hij moet een omweg maken. En het is dankzij die omweg van Filippus dat de vreemdeling uit Ethiopië uiteindelijk vindt wat hij zoekt: God.
In de heilige stad Jeruzalem, in het zicht van de tempel, gebeurde het niet. Het gebeurde ook niet toen de Ethiopiër alleen op de terugreis de heilige schriften las. Pas als Filippus de weg waarop hij zich bevindt verlaat en een eind met de Ethiopiër optrekt op diens reis, pas dan gebeurt het: de vreemdeling wordt geraakt door het evangelie omtrent Jezus Christus.
De omweg van Filippus maakt het mogelijk dat de Ethiopiër het heilige ervaart en vol vreugde zijn weg naar huis vervolgt.
De aanhangers van de weg, zoals de christenen in het boek Handelingen worden genoemd, blijken aanhangers van de omweg te zijn.
Op 12 oktober 2007 verschenen in Centraal Weekblad.