Henk Vijver

<< terug

De adem van zijn stem

Over geloof en wetenschap

1 november 2007

Wetenschap en geloof hebben in hun onderlinge relatie een roerige geschiedenis opgebouwd. Elk van beide heeft beweerd dat de ander onbetrouwbaar en gevaarlijk is. Geloof heeft wetenschap tegengehouden en wetenschap heeft gepretendeerd geloof overbodig te maken. Dat geloof en wetenschap vijanden en concurrenten zijn blijkt heel duidelijk in discussies over schepping en evolutie. Er is echter een visie op wetenschap en geloof mogelijk, die beide ten goede komt. Deze visie wordt hier verwoord.

Kennis als bezit van de kerk

In Europa beheerste de kerk tot het einde van de Middeleeuwen het leven van de mensen. De kerk had de wijsheid in pacht en de touwtjes in handen. Dat was niet alleen een kwestie van macht, ook als cultuurdrager liep de kerk voorop. Vooral kloosters waren centra van kennis en onderwijs; daar werd gelezen en geschreven en daar werden nieuwe landbouwmethoden ontwikkeld. De bijbel was het kerkelijk handboek van kennis voor alle terreinen van het leven. Alles wat men wist over de werkelijkheid, was dus lange tijd ingebed in en geautoriseerd door de kennis van de kerk. Wie nieuwe kennis wilde ontwikkelen buiten het kader van de kerk, liep gevaar (Galilei).

Na de Middeleeuwen begint de wetenschappelijke kennis zich te ontwikkelen. Het kritisch denken rukt op, ook in het bijbelonderzoek. De erkenning van verschillen tussen bijbelverhalen (ook over de schepping, Genesis 1 en 2) brengt een verdieping van de bijbelstudie met zich mee. Vanaf de Verlichting, in de 17e en 18e eeuw, ontwikkelt de wetenschap zich en maakt zich los van het kerkelijk gezag. Er ontstaan kennisgebieden die zich ontworstelen aan de greep van de kerk.

De moderne tijd

Tijdens deze modernisering weten steeds meer velden van de samenleving zich los te maken van de kerkelijke voogdij. Sociologen noemen dat het proces van differentiatie: het leven valt uiteen in aparte, min of meer zelfstandig naast elkaar bestaande maatschappelijke velden met eigen maatstaven en kennis. Politiek, economie, onderwijs, privé-leven; het zijn onderscheiden velden in de moderne maatschappij.
Velen zagen dit proces als een werkelijke verlichting. Vanaf nu zou de wereld niet langer beheerst worden door irrationeel geloof en kerkelijke willekeur, maar door de betrouwbare rede. De wetenschap zou de mensheid helpen aan nieuwe en ware kennis en daarmee bijdragen aan de totstandkoming van een betere wereld. Vooruitgang wordt het toverwoord in de periode vanaf de Verlichting.

Touwtrekken

De reactie van kerk en theologie op deze ontwikkelingen is vooral defensief. Resultaat is een getouwtrek tussen geloof (kerk en theologie) en wetenschap (representant van de nieuwe tijd). Inzet daarbij is de invloed die zij hebben in de wereld. Hoe meer kennis de wetenschap ontwikkelt, des te fanatieker wijst een groot deel van de kerk de moderne tijd af. De ontwikkelingen dwingen de kerk schans na schans op te geven totdat er uiteindelijk maar een heel klein stukje van de werkelijkheid overblijft dat de kerk als laatste bastion voor het geloof kan verdedigen (het privé-leven van de mens).

De grote vooronderstelling is dat wetenschap en geloof met hetzelfde bezig zijn: de werkelijkheid verklaren. De één doet dat op grond van het geloof, de ander met behulp van de menselijke rede, op een wijze die de andere partij uitsluit. Binnen dat denkschema blijven zij concurrenten en zal het discussiepunt eeuwig hetzelfde zijn: wie heeft het langste stuk touw in handen?

“Wetenschappelijke verklaringen hebben de religieuze geheel verdrongen, want ze zijn veruit superieur ...”, zegt H. Philipse(Schitterend ongeluk, 335). De evolutieleer heeft God overbodig gemaakt, aldus evolutiebioloog R. Dawkins. Daar tegenover staan orthodoxe christenen die met de bijbel in de hand de evolutietheorie afwijzen. Het geloof biedt volgens hen evenals de wetenschap een theorie die de werkelijkheid verklaart, maar dan de ware.
Het meest opvallende is dat atheïstische wetenschappers en orthodoxe christenen dezelfde visie op het geloof hebben; beide zien het geloof als een verklaring van de wereld die op één lijn staat met de wetenschap. De een wijst het geloof om die reden af, de ander de wetenschap. ('t Hart; Cliteur; Plasterk).

Er is een heel andere visie op geloof mogelijk die ons ook kan helpen het scheppingsgeloof beter te verstaan.

De parabel van het bos

De natuurwetenschapper A. van den Beukel vertelt ergens een mooie parabel over dit onderwerp. Hij vergelijkt de wetenschapper met een stroper die 's avonds het bos ingaat om konijnen te schieten. Hij heeft een lichtbak voor zijn buik en een geweer in de hand. Die lichtbak is zijn zoeklicht, zijn kijk op de werkelijkheid. Als je die stroper de volgende dag vraagt het bos te beschrijven, dan zal hij vertellen wat hij in de lichtbundel van zijn lichtbak heeft gezien. Alles wat daarbuiten valt, is voor hem niet relevant.
Stel je nu voor dat een natuurliefhebber datzelfde bos in gaat. Hij zal je een heel ander verhaal vertellen over het bos, want hij ziet dingen waar anderen aan voorbij lopen. Ook een verliefd paartje dat op een mooie zomeravond het bos ingaat, ziet een heel ander bos en zal een ander verhaal vertellen.

Wat bedoelt Van den Beukel? We wonen allemaal in dezelfde wereld, maar we zien verschillende dingen. Dat hangt samen met de rol die we hebben, en de werkwijze die daarbij hoort. Wie als wetenschapper de werkelijkheid bekijkt, is in andere zaken geïnteresseerd dan iemand die als gelovige diezelfde werkelijkheid ervaart.
Volgens de parabel hoeft dat geen tegenstelling te vormen. Problemen ontstaan slechts als één van de benaderingen zou beweren alle andere overbodig te maken. Maar de bedoeling is, dat de verschillende benaderingen naast elkaar bestaan, elkaar aanvullen en zo het beeld van de werkelijkheid vollediger maken. Voorwaarde daarvoor is dat elke benadering zowel zijn eigen beperktheid als het bestaansrecht van andere benaderingen erkent.
Het is dus niet zo dat wetenschap en geloof beide aan hetzelfde touw staan te trekken, waardoor er altijd een winnaar en een verliezer is. Het ligt anders. De wetenschap heeft een eigen perspectief op de werkelijkheid: zij wil beschrijven en verklaren; het geloof interpreteert, geeft betekenis aan de dingen. Geloof en wetenschap werken op verschillende niveaus van ons bestaan. Elk van beide benaderingen heeft zijn goed recht en zijn waarde, elk heeft ook zijn beperkingen.

Kennis in soorten

Dat laatste betekent veel voor onze visie op geloof. Geloof verklaart de werkelijkheid niet, maar zoekt zin en betekenis in de werkelijkheid. (Scheppings)geloof kan door de wetenschap worden weerlegd noch bewezen. Geloof doet namelijk iets totaal anders dan wetenschap.

Meten is weten, luidt een bekende promotieslogan voor de exacte wetenschap. ‘Meten’ staat voor het geheel van methoden en werkwijzen van de exacte wetenschappen. Door te meten, te wegen en te tellen vormen wij heel precieze kennis over de dingen. Dankzij die exacte kennis bestaan de medische wetenschap, de techniek en de moderne communicatiemiddelen.
Deze uitspraak leert ons twee dingen: a) het belang van exacte kennis; ‘meten’ levert nuttige kennis op. En b): de beperktheid van exacte kennis; ‘meten’ verschaft ons slechts ‘meetbaar meten’. Over onmeetbare dingen kun je geen meetbare kennis verkrijgen. Je moet het eigenlijk preciezer formuleren: meten (oftewel: de exacte wetenschap) verschaft ons kennis van het exacte soort over dingen van het exacte soort.

Onmeetbare dingen zijn bijvoorbeeld menselijke emoties, liefde, schuldgevoel, teleurstelling, verdriet, schoonheid. Allemaal zaken die zich niet lenen voor exacte kennis, maar die een grote rol in ons leven spelen. Ze vallen niet binnen de lichtbak van de stroper, maar de stroper zou een dwaas zijn als hij het bestaan ervan zou ontkennen.
Wij onderscheiden naast wetenschappelijke kennis, dan ook andere kennis: mensenkennis, geloofskennis, intuïtieve kennis, kennis die je krijgt door levenservaring. En in de praktijk van het leven zijn juist de niet-meetbare dingen van ‘onmetelijke’ waarde voor ons: liefde, schoonheid, geluk, enzovoort. Daarom blijven wij zoeken naar kennis over die moeilijk grijpbare aspecten van het leven. Godsdienst is hier één van.

Geloof als verbeelding

Geloof en wetenschap spreken verschillende talen. Wetenschap de taal van feiten en methoden, geloof de taal van verbeelding. Wetenschap wil verklaren, geloof is uiting van verwondering en dankbaarheid.
Neem als voorbeeld wat elk van beide zegt over de mens. De wetenschap kan ons uitleggen hoe de mens in elkaar zit (organen, bloed etc) en hoe hij zich heeft ontwikkeld in een eeuwenlange evolutie. Maar waarom de mens er is en wie hij eigenlijk is, dat zijn vragen die niet op het terrein van de wetenschap liggen. Dat is het gebied van religie en kunst, zoals poëzie. Luister naar het gedicht van Leo Vroman over de mens:

Mens is een zachte machine
Een buigzaam builtje
Met gaatjes
Propvol tengere draadjes
En slangetjes
Die dienen voor niets
Dan
Tederheid.

Vroman, een bioloog, gebruikt hier technische taal (machine, draadjes en slangetjes), maar komt tot de conclusie dat de mens er is om tederheid te geven en ontvangen. Die conclusie ligt buiten de wetenschap en haar taal; het is de taal van verwondering, eerbied.
Ander voorbeeld: een medicus kan ons uitleggen dat wij leven zolang wij ademen. Een dichter zal iets heel anders zeggen, bijvoorbeeld: wij leven op de adem van Zijn stem (Psalm 103); zolang wij Gods woord beluisteren.
Twee visies op de mens, op het leven, die elkaar niet beconcurreren, maar aanvullen.

Schepping en evolutie

Wat betekent dit voor het specifieke onderwerp schepping en evolutie?
De kern van het christelijk belijden is: “Ik geloof in God, schepper van hemel en aarde.” Dat is geen theorie maar een blijde boodschap (Schillebeeckx). Het geloof zegt: het leven is bedoeld door God, het mag er zijn. Het is goed dat het er is. Het is een belijdenis, een loflied. Vanuit de wetenschap geredeneerd, is de werkelijkheid - de wereld en ons leven - niet meer dan een gril in een geschiedenis van miljoenen jaren. Het leven en de mens zelf zijn toevalligheden, je zelfs nooit volledig kunt verklaren.
Lees het scheppingsverhaal zoals je die psalmregel leest: wij leven op de adem van Gods stem. Iedereen begrijpt dat zo'n regel metaforische taal is en dus niet in strijd met de wetenschap. In den beginne schiep God hemel en aarde, is net zo'n uitspraak. Een geloofsbelijdenis in de beeldende taal van mensen die vol verwondering zijn over de schoonheid en goedheid van het leven, ondanks alles.

Dit scheppingsgeloof belijdt de grootsheid van de geschapen werkelijkheid, en tegelijk weet het alles wat bestaat ook te relativeren. Alles wat er bestaat, de hemellichamen, de dieren, de planten, de mens, zijn schepselen, geschapen door de schepper; niet minder, maar ook niet meer. Niets op aarde mag tot god worden verheven; niet de natuur, niet een mens, niet de zon, niet de vruchtbaarheid, niet het vaderland, niet de eigen godsdienst. Alles wat is, is er als schepsel. En zolang het als schepsel bestaat, is het goed. Ook de overheid is er ‘bij de gratie Gods’ (zoals men vroeger terecht zei). Wordt er meer van gemaakt, of maakt het meer van zichzelf, dan gaat het mis.
De mens mag de aarde dan ook bewerken en beheren. De aarde is geen godin, dus mag je de schop er in zetten om haar te bewerken en zo voedsel voor je kinderen te verbouwen. En een ziekte is niet een demoon die je met offers tot rust moet proberen te brengen, nee, het is een bacterie, deel van de geschapen werkelijkheid en dus mag je ingrijpen. Bijbels scheppingsgeloof staat daarmee in feite aan de wieg van een wetenschappelijke benadering en omgang met de werkelijkheid.

Aan de andere kant benadrukt het scheppingsgeloof de waarde van de geschapen wereld voor de mens: Omdat de mens temidden van al die schepselen een bijzondere positie inneemt, heeft hij ook een grote verantwoordelijkheid. Van hem wordt gezegd dat hij geschapen is naar het beeld van God; hij kan mede-schepper worden. Scheppingsgeloof doet dus een groot beroep op de mens. Want wie gelooft in God de schepper van het leven, beseft dat hij er zelf ook is ten dienste van het leven. Anders dan de wetenschap, biedt het geloof dus een kijk op het leven van de mens waar je voor of tegen kunt kiezen.

Intelligent Design

De evolutietheorie is de meest plausibele hypothese die ons helpt aan een min of meer aanvaardbare verklaring van onze werkelijkheid. De theorie is lang niet sluitend en dat maakt dat wetenschappers verder blijven zoeken, ook de aanhangers vande ID-theorie. Er moet, zeggen zij, wel zoiets als een intelligent ontwerp (en dus een ontwerper) achter de hele evolutie zitten, omdat er zoveel gecompliceerde verschijnselen zijn die zich op geen enkele wijze laten verklaren (bijv. de bacteriële zweepstaart).

Of men in de wetenschap veel met ID kan, lijkt niet waarschijnlijk. ID heeft een sterk speculatief karakter en lijkt niet zozeer op het terrein van de wetenschap, als wel op dat van geloof en levensbeschouwing te liggen. Mij, als zoekend mens, spreekt de gedachte van een ontwerper nauwelijks aan. Ik zoek niet naar een constructeur die ergens in een ver verleden aan het begin van de dingen staat. Hij lijkt per definitie afwezig. Wat ik als mens juist hoop en zoek, is dat ik in mijn leven de macht mag ervaren die leven geeft en leven mogelijk maakt. Ik hoop de waarheid van een eeuwenoude belijdenis te kunnen ontdekken, namelijk dat de mens is geschapen naar Gods beeld; de belijdenis dus dat de mens in staat is leven te scheppen en te geven. Een ontwerper in het verleden doet geen beroep op mij. Daar kan ik in geloven zonder dat het enige verplichting met zich mee brengt. Geloof in God als schepper van de werkelijkheid brengt daarentegen juist wel een verplichting met zich mee, namelijk dat de mens er net als God is ten dienste van het leven. Dat geeft te denken (en te doen).
De ID-theorie lijkt toch weer via de weg van de verklaring het bestaan van God (als ontwerper) te willen bewijzen. In het geloof gaat het echter om de moed om te geloven, niet om een verklaring van de dingen.

Johannes schrijft over de betekenis van scheppingsgeloof in zijn evangelie mystieke woorden: Hij in ons en wij in Hem (Johannes 15). Dat zie ik als de grote kans voor de mens: geloven dat er een geest van leven is en dat de mens deel kan hebben aan die levensgeest; dat geeft geen kennis omtrent het ontstaan van het leven, het doet iets anders: het vraagt een grote mate van betrokkenheid bij het leven in al zijn kwetsbaarheid hier op aarde. Dat spreekt mij aan als een zinnig, want niet vrijblijvend geloof.

Bovenstaand artikel is een verkorte versie van de lezing die ik in maart 2007 heb gehouden in de Paaskerk te Oss.