Henk Vijver

<< terug

“Als het kwaad goede mensen treft”

18 augustus 2010

Zo'n 25 jaar geleden, ergens in de jaren 80, kwam er een boek uit met die titel “Als het kwaad goede mensen treft”. Het was geschreven door een Amerikaanse rabbi, Harold Kushner. Het boek werd heel erg populair, ook in Nederland. Rabbi Kushner vertelde iets waar veel mensen op zaten te wachten.
Het boek gaat over de vraag wat God te maken heeft met het kwaad dat ons mensen treft. Hoe kan het dat een goede God zoveel leed over de mensen laat komen. Hij is toch almachtig, Hij is toch liefde! Waarom gebeuren al die erge dingen dan in de wereld.

Lezingen:
Job 16,
Romeinen 8: 38-39

Natuurlijk, soms kun je en moet je zeggen dat mensen er zelf medeschuldig aan zijn, dat ze het kwaad aan zichzelf te wijten hebben. Mensen berokkenen zichzelf en elkaar nogal wat ellende. Maar dat is niet meer dan een deel van het verhaal. Veel rampen waardoor mensen getroffen worden, gaan volkomen buiten ons om. Het overkomt ons, vaak als een donderslag bij heldere hemel. Je kunt er niets aan doen.
Een kind dat verongelukt in het verkeer; het had niet hoeven gebeuren, maar het gebeurt. De duizenden mensen die momenteel omkomen bij natuurrampen in Pakistan, Rusland en China. De ziekte waardoor jijzelf getroffen wordt. De dood die een geliefde bij je vandaan rukt. Er is veel kwaad dat goede mensen treft. Hoe kom je er mee in het reine?

Deel 3 in serie van
preken over Job.

God heeft de hand in alles; het goede en het kwade komt van Hem. Zo zegt de Heidelbergse Catechismus het in Zondag 10, en zo hebben velen van ons het vroeger geleerd. God regeert en bestuurt alles, zo dat ‘regen en droogte, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede, ja alle dingen ons niet bij toeval maar uit zijn vaderlijke hand toekomen’. God geeft ons de goede dingen, maar hij brengt ook het kwaad over ons.

Nee, zegt Rabbi Kushner in dat boekje dat ik u noemde. Dat kan niet waar zijn. Het idee dat God dat allemaal doet, is niet te verdragen. Het moet anders zijn. ‘Hoe zou een God van liefde ons kwaad aandoen!’ vraagt rabbi Kushner. God doet het niet en Hij wil het niet. God kan er ook niets aan doen. Hij lijdt met ons mee als wij lijden. Maar Hij is niet de oorsprong van het kwaad. Dat sprak veel gelovige mensen erg aan, en nog steeds. God is een God die met ons meelijdt. Hij zou het kwaad ook liever niet zien, maar Hij kan er niks aan doen.

Het verhaal van Job vertelt ons iets heel anders; een heel andere visie op het lijden van de mens. Voor Job en ook voor zijn vrienden is het geen vraag waar het kwaad vandaan komt. Het komt van God, daar twijfelt niemand aan in dat oude verhaal. Het verschil tussen Job en zijn vrienden zit 'm in de wijze waarop ze op dat lijden reageren.
De vrienden zeggen tegen Job: ‘God is rechtvaardig, je zult het dus wel verdiend hebben. Beken daarom je zonden aan God, dat is het enige dat je rest. Het kwaad waaronder jij lijdt, is straf van God en Hij straft niet voor niets. Beken schuld en wacht af; misschien zal God je genadig zijn. ’
Maar Job zegt: ‘ik ben onschuldig.’ En dus protesteert hij tegen God. ‘Waarom doet u mij dit aan? Dit heb ik toch niet verdiend?’

Job lijdt nog het meest omdat hij zich in de steek gelaten voelt door de God op wie hij altijd vertrouwde. Dat verwijt hij God dan ook.
‘U bent niet langer mijn vriend. U bent als een vijand die mij van alle kanten belaagt. U bent mij totaal vreemd geworden. Onherkenbaar.’
Maar het is en blijft God die hem dit alles aandoet. Daaraan geen enkele twijfel bij Job. Hij kan zo fel tegen God uithalen, juist omdat hij voortdurend Gods aanwezigheid ervaart, zij het op een vreselijke en onbegrijpelijke manier. Maar God is er, Hij heeft de hand in alles wat er gebeurt. Precies zoals ook Zondag 10 het zegt: alles komt uit Zijn hand.

Hoe zit het nu met dit vraagstuk? Wat heeft God te maken met het lijden van zoveel onschuldige mensen? Volgen we Job, en dus ook Zondag 10 van de oude Catechismus, in hun visie op die vraag? Of is het rabbi Kushner die ons de weg wijst uit dit moeilijke probleem?

De Hongaarse schrijver György Konrád vertelt in zijn autobiografie een aangrijpende geschiedenis. ‘Van de 200 kinderen die er met mij op de lagere school zaten,’ vertelt hij, ‘zijn er in de oorlog 193 vergast in de concentratiekampen van de nazi's.’
Het is een vreemde gedachte, zegt hij dan, dat God daarin de hand zou hebben gehad. Maar, dan voegt hij daar een vraag aan toe: als God daarin niet de hand heeft gehad, wie dan wel?

Daarmee zegt die schrijver precies wat het probleem is. Als het kwaad niet van God komt, als Hij dat zelfs niet wil, dan is er dus een andere macht, sterker dan God, die dat over ons brengt. Maar dat is pas echt een vreselijke gedachte.
Heel het geloof valt daarmee in stukken uit elkaar. Waarom zou je nog in God geloven, als Hij er ook niets aan kan doen, zoals rabbi Kushner zegt. Een God die er ook niets aan kan doen, is niet meer dan wij zelf zijn. Een God die alleen maar verdrietig is met ons, is niet anders dan wij zelf. Hij houdt op God te zijn.
Wij blijken in werkelijkheid te zijn overgeleverd aan een andere macht: het Toeval, of het Noodlot, of wat ook maar. Dat wil een mens toch niet geloven!

Persoonlijk houd ik het daarom bij het verhaal van Job. Ook al blijft het altijd een pijnlijk probleem, het kwaad dat onschuldige mensen treft. Een vraagstuk waar je nooit een sluitend antwoord op zult vinden. Begrijpen kunnen we het niet, al die ellende die zo vaak in golven over de mensen heen rolt. En het "verklaren", zoals de vrienden van Job doen, moet je al helemaal niet proberen. Asjeblieft geen verklaring van het lijden als straf van God of als opvoedkundig middel of wat ook maar. Dat mag je een ander nooit aandoen.

Je komt, denk ik, nog het verst met Job en ook met Zondag 10 van de Catechismus. Natuurlijk, veel van de begrippen die de Catechismus gebruikt (zoals Voorzienigheid), staan al ver bij ons vandaan. Maar de kern van die oude tekst kun je nog wel achterhalen en de bedoeling ervan is goed te begrijpen. Ik zie het als de beste uitweg uit dat moeilijke vraagstuk. De vraag wat God te maken heeft met het lijden van onschuldige mensen.

Alle dingen, het goede en het kwade, komen ons toe uit Gods hand. Dat is de visie van Job, en ook van de Catechismus. Je bent nooit los van God. Dat is de kern.
Niets is er wat jou van zijn liefde kan scheiden. Bij de hoogtepunten en de dieptepunten van je leven, bij het goede dat je overkomt en bij het kwade, je bent in zijn hand. Je staat in relatie met Hem. Hij is altijd op jou betrokken. Het is niet opeens een andere macht — het Toeval of het Noodlot — aan wie je zou zijn overgeleverd.

Dat is het geloof van Job. God is onbegrijpelijk voor Job, maar God is ook zijn enige houvast.
‘U bent mijn vijand geworden,’ roept Job. Maar God is wel degene tot wie hij dat kan roepen. En op God kan hij ook een beroep doen hem bij te staan.

(…) nog heb ik mijn getuige in de hemel, nog heb ik daar mijn pleitbezorger. (…) in tranen zien mijn ogen op naar God. Laat hij oordelen tussen mens en God (…)

Job doet een beroep op God tegen God. En dat kan, omdat God voor Job de enige macht is die ertoe doet. En ook al maak je onbegrijpelijke dingen mee, je kunt ermee terecht bij de God uit wiens hand ons dat alles toevalt.

Gezondheid en ziekte, het goede en het kwade, ze overkomen ons niet bij toeval; het komt tot ons uit Gods hand. En die hand van God is een vaderlijke hand. Dat betekent dat je bij Hem terecht kunt. Er is een adres voor onze tranen, voor onze vragen en voor ons protest.

Je kunt verbijsterd zijn, je kunt met stomheid zijn geslagen vanwege het leed dat jouzelf of andere mensen overkomt. Maar hoe groot en onbegrijpelijk dat leed ook mag zijn, je bent er nooit volledig aan overgeleverd. De hand waaruit ons alle dingen toekomen, is de hand van God de Vader.

Heidelbergse Catechismus, Zondag 10

Vraag 27: Wat verstaat gij onder de voorzienigheid van God?

Antwoord: De almachtige en alom tegenwoordige kracht Gods, waardoor Hij hemel en aarde met alle schepselen als door zijn hand voortdurend in stand houdt en zo regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijs en drank, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede, ja alle dingen ons niet bij toeval maar uit zijn vaderlijke hand toekomen.

Vraag 28: Waarom is het voor ons van belang te weten, dat God alles geschapen heeft en ook door zijn voorzienigheid in stand houdt?

Antwoord: Om in alle tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar te zijn en voor de toekomst een goed vertrouwen te hebben op onze getrouwe God en Vader, in de zekerheid dat geen schepsel ons van zijn liefde scheiden zal, omdat alle schepselen zo in zijn hand zijn, dat zij zich tegen zijn wil niet roeren of bewegen kunnen.

Deel 3 uit een serie van preken over Job.