Henk Vijver

<< terug

“Der Mensch ist was er isst”

21 augustus 2008

Gemeente van Jezus Christus,

In de tweede eeuw voor Christus beleeft het volk Israël een tijd van vreselijke onderdrukking. De vorst die daarvoor verantwoordelijk is, heet Antiochus Epiphanes. Deze Antiochus oefent niet alleen politieke macht uit, hij wil ook dat het joodse volk de eigen cultuur en godsdienst opgeeft en zich aanpast aan de nieuwe Griekse wereldcultuur.
Er zijn groepen die zich verzetten tegen deze wrede heerser, dat zijn de Maccabeeën. Maar de onderdrukking en het geweld nemen daarmee alleen maar toe.

Lezingen:
Daniël 1
Matteüs 4:1-4
Zingen:
Gezang 301: 3

Hoe kun je overleven in zo'n tijd? Hoe kun je als volk tegen de verdrukking in je identiteit bewaren? Wat is eigenlijk jouw identiteit als volk; waaruit bestaat die precies?

Vragen naar de eigen identiteit gebeurt altijd als mensen zich in hun bestaan bedreigd voelen. Als je in het buitenland woont of veel erger: in ballingschap; of als jouw geloof en kerk steeds minder aanzien hebben in de wereld om je heen. Dan ga je vragen: wat en wie zijn wij eigenlijk?

Dit is de eerste
overdenking in de
serie over het
boek Daniël. Meer
overdenkingen
over Daniël vindt
u onder
'overdenkingen'
in het menu
hierboven.

Midden in die moeilijke tijd, ongeveer in het jaar 165 voor Christus, schrijft een joodse man hierover een verhaal. Hij wil zijn volk moed inspreken. Om te overleven en om de eigen identiteit te vinden en te bewaren. Het verhaal dat hij schrijft, speelt zich af in een andere moeilijke periode, namelijk de tijd van de joodse ballingschap in Babylonië, dat was in de 6e eeuw voor Christus. Dat is dus zo'n 400 jaar terug, ver voor de tijd van die wrede Antiochus.
Het boek van deze joodse man - wij zouden het vandaag een roman noemen - gaat over de lotgevallen van Daniël en zijn vrienden in die ballingschap. Voor een deel is het in de ik-vorm geschreven, daarom noemen we de schrijver ook Daniël. Verder weten we eigenlijk niets van hem. Daniël en zijn vrienden weten te overleven in de ballingschap, en zij behouden hun joodse identiteit. Wat toen kon, dat kan vandaag ook. Dat is heel kort de boodschap die je kunt beluisteren in het boek Daniël.

De ballingschap in de 6e eeuw. Wat gebeurde er toen precies?
Alles wat een volk aan kwaad kan overkomen, overkwam in die tijd het joodse volk. Nebukadnezar, de koning van Babylonië, verslaat Israël en bezet het joodse land. Jeruzalem wordt verwoest; de tempel geplunderd, het kostbare tempelgerei gestolen en meegenomen naar Babel. Naar Sinear, staat er en dat is een onheilspellende naam. In het land van Sinear werd ooit de toren van Babel gebouwd. Sindsdien staat Sinear voor menselijke hoogmoed en verzet tegen God. Daarheen gaan de gewijde attributen van de tempel.
Zo wordt Israël kapot gemaakt; stad, tempel, land. Nu de mensen nog. Dat is wat Nebukadnezar wil. Hun boeken moeten worden verbrand, hun identiteit afgenomen, hun geloof, hun cultuur, alles moet worden weggevaagd.

Hoe doe je dat? Hoe maak je een volk van ballingen onschadelijk, zodat je ze nog wel kunt gebruiken als goedkope arbeidskrachten maar geen last van ze hebt?
Je doodt een volk, als je z'n leiders doodt. Wie zal de mensen dan nog de weg wijzen? De koning geeft de opdracht joodse jongens van adellijke afkomst een opleiding aan het paleis te geven, zodat zij later als zijn dienaren kunnen werken. De bedoeling is dat deze jongens zich helemaal aanpassen aan de cultuur van de heersers; ze moeten daar in opgaan.

Om te beginnen worden hun namen veranderd. Hun joodse namen zijn:

Daniël, dat betekent: “Mijn rechter is God”.
Dan Chananja: “JHWH, de HEER, is genadig”.
Dan Misaël: “Wie is als God?”
En ten slotte Azarja: “JHWH is mijn helper”.

Elk van die namen is een geloofsgetuigenis. Dit geloven wij en dit is wat wij zijn. Daarom worden die namen hen afgenomen en er komen nieuwe voor in de plaats. Daniël wordt Beltesassar, en de andere drie worden: Sadrach, Mesach en Abednego. Heidense namen met een obscure betekenis.

En het gaat nog verder. Onderdeel van hun opleiding is dat deze jongens te eten krijgen van de tafel van de koning. De koning weet feilloos hoe hij moet manipuleren en indoctrineren. Hij pakt lichaam en geest beide aan. Hun namen veranderen is een belangrijke stap; maar het gaat ook heel platvloers via het eten en drinken.

“Der Mensch ist was er isst”, de mens is wat hij eet, heeft de Duitse schrijver Feuerbach ooit gezegd. Hij was atheïst en hij bedoelde die uitspraak net zo banaal als het klinkt: wil je weten wie een mens is, wat hij denkt en gelooft, dan moet je kijken naar zijn materiële omstandigheden, naar zijn bezit. Daaruit kun je alles verklaren, ook de overtuigingen van mensen. Kijk wat er bij iemand thuis op tafel staat: is dat kaviaar en champagne, dan weet je ook op wat voor politieke partij hij stemt.
Dat klinkt heel cynisch. Een mens wordt gereduceerd tot wat hij heeft: zijn geld, zijn auto of zijn huis. Cynisch, maar er zit een kern van waarheid in. Mensen zoeken zelf immers vaak hun identiteit in de opvallende, grote of luxueuze dingen die ze hebben.

Koning Nebukadnezar zou het helemaal eens zijn met die uitspraak van Feuerbach. Eten en drinken vormen een perfect middel om deze joodse jongens te hersenspoelen en hen te laten vervreemden van hun volksgenoten. Door het voedsel zullen ze steeds meer opgaan in de wereld van het koninklijke hof. Het eindresultaat zal zijn totale gelijkschakeling.
Wie zijn voedsel krijgt van de koninklijke tafel, wordt kind aan huis bij de koning. Wie eet als de koning, gaat ook denken als de koning. En dat is de bedoeling. Wiens brood men eet, diens woord men spreekt. Der Mensch ist was er isst.

Jezus heeft ooit gezegd dat het een duivelse verleiding is om zo te denken. Een mens leeft niet bij brood alleen, asjeblieft niet zeg. Er is meer nodig. Er zijn landen waar men rijk is aan brood en waar niettemin kinderen sterven aan ondervoeding.
Naast ons brood en bezit hebben we goede ideeën en richtlijnen nodig over de verdeling daarvan. Idealen over een rechtvaardige maatschappij.

“De mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord dat klinkt uit de mond van God”, zo vatte Jezus dat samen. “Woord van God” wil zeggen: de inzichten en de wijsheid die de bijbel ons aanreikt over ons leven en samenleven. Daarom hebben we vanmorgen de tien geboden ook gehoord: de normen en waarden die wij nodig hebben naast het brood dat wij eten.
De mens is meer dan zijn bezit. Hij heeft gevoelens, hij kan luisteren en nadenken, bijvoorbeeld over zichzelf. Hij kan er bepaalde idealen en waarden op nahouden. Hij hoeft zich niet alleen maar te laten leiden door zijn materiële belangen.
Jezus ziet het als duivels wanneer je als mens samenvalt met de dingen die je hebt:
“Niet van brood alleen!”.

Dat is ook de reden waarom wij in de kerk regelmatig de maaltijd van God vieren, het avondmaal. Brood en wijn verwijzen naar alles wat wij uit Gods hand krijgen, en dat is niet alleen brood, maar ook de woorden uit Gods mond. De wijsheid van vroeger en van vandaag die ons kan helpen om op menselijke wijze te leven en samen te leven.
Avondmaal vieren betekent: wij eten uit Gods hand; en door Hem willen wij ons dus laten gezeggen. En naar zijn woord willen wij ons leven inrichten. “Mijn rechter is God” - Daniël. Niemand anders: geen koning, geen politieke leider, geen goeroe, of wie ook maar, kan die functie vervullen.

Aan de maaltijd des Heren wordt zodoende die uitspraak van Feuerbach toch nog waar, maar dan wel op een heel andere manier dan de man zelf ooit heeft bedoeld. Der Mensch ist was er isst: wij zijn het brood uit Gods hand. Wij eten uit zijn hand en wij willen leven zoals Hij vraagt dat mensen leven: menselijk! Wie uit Gods hand eet, krijgt brood en geloof tegelijk aangereikt. En dan ben je wat je eet.

Die vier joodse jongens daar in de ballingschap hebben dat alles intuïtief aangevoeld en daarom weigeren zij het voedsel dat van de tafel van Nebukadnezar komt. Het gaat niet om de joodse spijswetten op zichzelf. Die zijn niet belangrijk. Uit wiens hand eet je; aan wie wil je toebehoren; dat is waar het om gaat. Dat beslist over jouw identiteit.

Wie uit de hand van Nebukadnezar eet, zal helemaal diens eigendom worden en zijn eigen identiteit verliezen. Wie uit de hand van God eet, krijgt voedsel om te leven zoals de mens is bedoeld. Aan het avondmaal mag je zeggen: ik ben wat ik eet. Ik ben het levende brood dat ik eet. Ik ben de wijn die de hoop op Gods koninkrijk levend houdt.

“En God schonk de vier jongemannen wijsheid, kennis en verstand” (v. 17). Reden genoeg om te willen weten hoe het verder met hen gaat.

Amen

Al leeft uw volk verschoven
kyrie eleison
in 't land van vuur en oven,
in 't land van Babylon,
al is de hemel boven
voor mensen doof en stom,
nog moeten wij U loven
met stem en fluit en trom.

Liedboek voor de kerken, Gezang 301:3