Henk Vijver

<< terug

Over een koopman in oud roest

21 augustus 2008

Gemeente van Jezus Christus,

Nebukadnezar is de koning van Babylonië, het rijk dat de dienst uitmaakt in de wereld. Nebukadnezar staat aan de top van dat rijk en dus van de hele wereld. Hij controleert het leven van al zijn onderdanen. Niets ontsnapt er aan zijn greep. Nebukadnezar is de machtigste mens op aarde; de mensen van zijn tijd vereren hem als god.
Maar deze machtige Nebukadnezar, zo zullen we zien, is een bange en tragische man.

Lezingen:
Daniël 2
Zingen:
Psalm 135: 8 en 10

Mensen krijgen soms heel veel voor elkaar. Misschien niet zoveel als Nebukadnezar, maar toch: ieder op zijn eigen gebied, hoe klein dat misschien ook is, kunnen wij soms veel presteren en de top bereiken. Een hoge positie in het bedrijfsleven, in de wetenschap of de politiek. Maar ook op kleine schaal: in de kerk, in een gezin of in relaties, overal kom je mensen tegen die een positie weten te veroveren en die zelfs macht over anderen uitoefenen.
Wat Nebukadnezar in het groot doet, doet iedereen misschien wel een beetje in het klein: greep hebben op de dingen en alles regelen zoals jij vindt dat het moet.

Dit is de tweede
overdenking in de
serie over het
boek Daniël. Meer
overdenkingen
over Daniël vindt
u onder
'overdenkingen'
in het menu
hierboven.

En daar beginnen de problemen.
Hoe meer macht je hebt, des te vaker word je geconfronteerd met de betrekkelijkheid daarvan. Macht breidt zich uit als een cirkel, net zoals kennis. Hoe groter het wordt, des te groter wordt ook het gebied dat er direct buiten ligt; het gebied dat buiten jouw controle ligt, waar jij geen kennis van hebt en waar jij geen greep op hebt. Hoe groter de cirkel van jouw macht en vermogen, des te groter ook het gebied dat daar aan grenst: het gebied van jouw onmacht en onvermogen.

En die dingen waar je geen greep op hebt, laat dat nou net de belangrijkste dingen van het leven zijn. Het leven zelf! Liefde en geluk!
Dat zijn de dingen waar het om gaat, maar zij laten zich niet maken en ze laten zich niet sturen, zelfs niet door de grootste regelaar. Zelfs niet als je Nebukadnezar heet en de hele wereld in een ijzeren greep houdt.

Nebukadnezar slaapt slecht. 's Nachts schrikt hij wakker uit onrustige en angstige dromen, en dan staat het koude zweet op zijn voorhoofd. Hij weet dat er op een dag iemand zal komen, die net is als hij, bezeten van drift om te domineren, en die zal er een einde aan maken. En als het geen mens is dan zal het de dood zijn. De machtigste man van de wereld is bang in het donker.

Als je nooit hebt geleerd te leven met de beperkingen die nu eenmaal bij de mens horen, als je die beperkingen nooit onder ogen hebt leren zien, als je maar doorgaat met dirigeren en controleren, dan slaat de paniek toe op het moment dat je beseft: wat kan ik eigenlijk weinig als het op het leven zelf aankomt, en op geluk.

In zijn droom ziet hij een reusachtig beeld. Het hoofd is van goud, zijn borst en armen zijn van zilver; buik en lendenen van brons; zijn benen van ijzer, zijn voeten deels van ijzer, deels van leem.
Maar dan ziet Nebukadnezar hoe er een steen op dat beeld afrolt, zonder dat er een mens aan te pas komt. Dat betekent dat ook geen mens het kan tegenhouden. Die steen slaat tegen de voeten ervan en verbrijzelt het hele beeld.

Natuurlijk weet hij wat dat betekent. Dat hoeft geen mens hem te vertellen. Dat beeld dat is hij. Het gouden hoofd, dat is de glamour en de glitter van zijn macht. En de rest van het beeld bestaat uit al die anderen die uit hetzelfde hout zijn gesneden als hij: allen die macht hebben, die denken dat je alles in het leven kunt sturen en beheersen.
Hij, Nebukadnezar, zal worden verpletterd door de harde steen van de eindigheid. Ook hij is niet onkwetsbaar. Hij schiet overeind in zijn bed.

Nebukadnezar houdt er een hele hofhouding van adviseurs op na. Ze moeten hem raad geven, maar in feite is er natuurlijk maar één ding dat zij moeten doen: de koning bevestigen, zeggen wat hij graag horen wil, zodat zijn angst kleiner wordt en hij rustig kan slapen. “Koning, uw macht is tot in eeuwigheid; er is geen vuiltje aan de lucht, geen steen waar uw voet over kan struikelen”.
Dat zeggen ze dan ook graag. Ze zijn als de deskundologen die elkaar napraten op de televisie en alleen maar zeggen wat iedereen al lang weet.

De verteller van ons verhaal steekt de draak met al die consultants en adviseurs. Toekomstvoorspellers, tekenduiders en “leverkijkers”, zo noemt hij ze. Het zijn de statistici van die tijd. Geleerden, die het lot van de mensen aflezen uit de ingewanden van kippen. Kippenlevers kunnen je veel kennis geven, net als statistieken. Maar wijsheid is iets anders. Niemand die Nebukadnezar zijn droom plus uitleg durft te vertellen. Want dat: droom plus uitleg, dat is de waarheid, en de waarheid is uiterst pijnlijk. Om de waarheid te vertellen heb je moed en wijsheid nodig. Moed en wijsheid samen, dat heet geloof.

Als Daniël hoort wat koning Nebukadnezar vraagt: droom plus uitleg, gaat hij met zijn vrienden in gebed.

Geprezen zij de naam van God,
hij geeft de wijzen hun wijsheid,
en de verstandigen hun kennis.
Hij onthult diepe, verborgen dingen,
hij weet wat in duister is gehuld,
en het licht woont bij hem.

De dingen die er in het leven werkelijk toe doen, kunnen wij zelf niet onthullen en we kunnen het zelf niet maken. Ook al heb je nog zoveel kennis of invloed, ook al ben je een geslaagde regelaar, het geheim van je leven ligt in de hand van God.
“Er is een God die verborgenheden onthult” (NBG 1951).
Die wijsheid ligt ver voorbij alle menselijke macht en regelzucht. Je krijgt er alleen maar zicht op als je, net als Daniël, je weet af te zonderen in stilte, voor gebed en meditatie, in plaats van in eeuwigheid alles te regelen en te willen organiseren.

Mensen kunnen misschien wel denken of dromen, dat hun daden een schitterend beeld vormen, van goud en zilver, indrukwekkend voor anderen om te zien. Maar de werkelijkheid is anders. In de grote geschiedenis is wat wij doen geen goud of zilver. Het geluk maken wij zelf niet, de toekomst maken wij niet en het leven maken we niet. In de geschiedenis van de wereld zijn wij onvoorstelbaar klein en onbeduidend. Voor het universum zijn wij lood om oud ijzer.
Wij maken niets waardoor wij onsterfelijk zouden worden. Niemand is onkwetsbaar voor die steen van de eindigheid.

Wat een mens dan betekent?
De dichter Gerrit Achterberg heeft er over geschreven. Op een dag, zegt hij, ligt ieder mens als oud roest langs de kant van de weg. Vergelijk de mens maar met een benzineblik. Als de inhoud is opgebruikt, wordt het lege blik afgedankt en weggeworpen. Daar lig je dan: lood om oud ijzer, in de berm.
Zo treft God ons aan. En dan komen de regels:

Wij zijn voor hem een vol benzinevat,
Dat hij leeg achterlaat. Hij moet het kwijt
Al de afval, met zijn wezen in strijd.

Sinds hij zich van de schepping onderscheidt
Gingen wij dood en liggen langs het pad,

Wanneer niet Christus, koopman in oud roest,
Ons juist in zo'n conditie vinden moest:
Alsof hij met de Vader had gesmoesd.

Een mens kan zijn eigen redder niet zijn. Hij kan zichzelf niet vervolmaken. Leven en geluk, het kan je alleen maar worden geschonken. Redding komt van de andere kant. Dat is wat Achterberg uitdrukt in deze verzen.
Wij zijn niet meer dan lood om oud ijzer, als afval achtergelaten in de berm van de weg.
Maar dan ziet de dichter Christus, die als een koopman in oud roest al het afgedankte lood en oude ijzer dat wij zijn, verzamelt. Alleen daarin ligt redding.

Amen

Aller volken goden zijn
goud en zilver, pracht en praal,
werk van 's mensen hand en brein,
zonder geest en zonder taal.
Zij zijn blind en zij zijn doof
voor aanbidding en geloof.

Zegen, Israël, den Heer,
priesters, looft zijn majesteit,
tempeldienaars, prijst zijn eer,
looft hem, wie zijn naam belijdt.
Hij woont bij ons in gena.
Prijst den Heer, Halleluja!

Liedboek voor de kerken, Psalm 135: 8 en 10