Henk Vijver

<< terug

De waarheid van een wazige spiegel

28 augustus 2008

Gemeente van Jezus Christus,

Een ruiter op zijn paard is in grote haast op weg naar de overzijde van een meer. Als hij voor zich een grote ijsvlakte ziet, geeft hij zijn paard nog eens extra de sporen. In grote snelheid rijdt hij over de ijsvlakte heen tot hij aankomt in een dorp. Daar hoort hij echter dat hij al veel verder is dan hij gedacht had. Hij dacht dat hij over een sneeuwvlakte reed, maar in werkelijkheid was dat het wolkendek dat boven het meer hing. Daar is hij in volle vaart over heen gereden. Als dat tot hem doordringt, begeeft zijn hart het en zakt hij in elkaar. Tijdens de tocht had hij geen moment besef van de gapende afgrond onder hem. Nu hij het achteraf beseft, bezwijkt hij alsnog aan doodsangst.

Lezingen:
Daniël 3
1 Korintiërs 13:8-13
Zingen:
Tussentijds
nr. 56: 1 en 9

Het verhaal van een Duitse schrijver. Hij wil ermee vertellen wat het leven van de mens is. Je leeft als mens van dag tot dag en ondertussen snelt de tijd voort. Onder jou bevindt zich een peilloze afgrond en als je daar in zou kijken, dan zou je het besterven van angst. Die afgrond is er altijd, als een vaste metgezel. En je kunt er in vallen: een enge ziekte, een ongeluk, een studie die mislukt, een baan die je kwijtraakt, iemand die je lief hebt maar die jou in de steek laat. Dat is de afgrond.

Dit is de derde
overdenking in de
serie over het
boek Daniël. Meer
overdenkingen
over Daniël vindt
u onder
'overdenkingen'
in het menu
hierboven.

Nebukadnezar, de machtige koning van Babylonië, heeft ook zijn angsten. Dat zagen we al eerder. Wie het van macht en geweld moet hebben, gaat er zelf een keer aan ten onder. Mensen als Nebukadnezar, Karadzic, Mugabe, en al die anderen die terreur hebben gezaaid onder de mensen,... er komt een tijd dat zij ook zelf in angst leven.

Hoe bezweer je de angst voor de afgrond? Nebukadnezar bouwt een reusachtig beeld. Helemaal van goud. En alle ambtenaren van zijn rijk, van hoog tot laag, moeten voor dat beeld knielen en het aanbidden.
Hoe het beeld er uit ziet, wordt niet verteld. Is het een zuil? Een zelfportret? Dat doet er niet toe. Nebukadnezar creëert een geloof waar iedereen aan mee moet doen. Dit is ons geloof.
Je ziet ze marcheren, al die ambtenaren. In strakke rijen. Allemaal hetzelfde geloof; geloof in uniform. Alle neuzen dezelfde kant op; een stadion vol met mensen die allemaal dezelfde bewegingen maken, en als uit één mond hetzelfde lied zingen.
Dat is het geloof van Nebukadnezar. Een beeld van goud voor hun eigen macht.
Dictators zijn altijd gek geweest op grote festijnen als de Olympische Spelen. Zo indrukwekkend en onkwetsbaar als het beeld is, zo willen zij zelf zijn. Zo moeten de mensen hen zien.

Als iedereen dezelfde waarheid aanbidt, denkt Nebukadnezar, dan moet het wel goed komen met de mensheid en met de wereld. Dus vanaf nu geldt er één waarheid voor de hele wereld. Eén geloof. De waarheid van Nebukadnezar. En wie niet mee wil doen, wordt weggebrand. Want zo iemand is een vijand van de mensheid. Dat is iemand die niet mee wil werken aan een betere wereld.

Het is niet een verhaaltje over de een of andere gekke machthebber. Iemand als Mugabe of zo. Nebukadnezar staat model voor de mens en zijn godsdienst. Zo kunnen mensen met geloof omgaan. Zo kan het geloof van de mensen ontsporen. En kennelijk gebeurt dat nogal eens.
De bijbel waarschuwt er in ieder geval uitdrukkelijk voor. “Maak geen godenbeelden. Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik de Heer, uw God, duld geen andere goden naast mij.”

Je vindt die waarschuwing bij joden, christenen en moslims: Leg God niet vast in een beeld. Zeg nooit: dit is waarheid, dit is de juiste leer over God, dit is het, zo moet iedereen geloven. Je moet het niet willen zeggen.
Alle neuzen dezelfde kant op? Daar moet je toch niet aan denken! Niet in de samenleving, en al helemaal niet in het geloof.
Als het gaat over de waarheid en over God, dan kijken wij in een wazige spiegel, zegt Paulus. We weten het niet. We kunnen alleen maar zoeken, in verschillende richtingen. En het goede behouden. Maar niemand is in staat de waarheid te grijpen en in een beeld te gieten.
Alleen mensen als Nebukadnezar durven te beweren dat zij de ultieme waarheid kennen en dat zij weten hoe en wat iedereen moet geloven. Maar voor mensen als Nebukadnezar moet je uitkijken.

De bijbel heeft hele goede redenen om te waarschuwen tegen dit soort geloof. Wie God vastlegt in een beeld of in een doctrine, die zal niet aarzelen om ook de mens vast te leggen.
Je ziet het altijd weer gebeuren. Als je God zijn vrijheid niet wilt geven, hoe zou je dan mensen hun vrijheid gunnen? Wie denkt te weten wat wij moeten geloven en hoe wij moeten leven, zal dat aan anderen willen opleggen.
Het is de wet van Nebukadnezar: wie niet knielt voor mijn beeld, die gaat er aan. Het gaat om de gouden medailles; mensenrechten is iets heel anders, dat zien we later wel. Misschien.

Eigenlijk doet Nebukadnezar niet anders dan in dat gouden beeld zichzelf aanbidden. Het beeld is de zekerheid die hij voor zichzelf creëert.
In onze zogenaamde zekerheden aanbidden wij onszelf. Opeens is alles glashelder. Je hoeft niet meer te denken, je hoeft je nergens meer in te verdiepen, geen boek meer te lezen. Je hoeft niet meer in die afgrond te kijken. En je bent bevrijd van die vervelende wazige spiegel.
Alles is immers al geregeld. Daar staat het beeld van mijn zekerheid. Net God, vind je niet?

Die drie joodse jongens, de vrienden van Daniël, weten beter. Ze zijn opgevoed in het joodse geloof. Als het om de waarheid gaat, om God, dan komt een mens nooit verder dan die wazige spiegel. Alle kennis van mensen, maar ook alle geloof van mensen, is kijken in een beslagen spiegel. Het is zoeken en turen en proberen iets te zeggen. Verder kun je niet en verder moet je daarom ook niet willen. En vaak besef je dat je zelfs beter stil kunt zijn.
Als mensen denken wel meer te kunnen, dan gaat het mis.
Als de wetenschap de waarheid claimt over van alles en nog wat, dan verandert wetenschap in hoogmoed of in bijgeloof. Als het geloof de waarheid opeist, dan wordt geloof onverdraagzaam.
Wij moeten het doen met de waarheid van een wazige spiegel.

De joodse jongens weigeren mee te doen met het geloof van Nebukadnezar. Zij kennen het oude beeldverbod. Je overwint de onzekerheid van het leven niet door te doen alsof die onzekerheid er niet is. Je kunt de afgrond niet wegdenken. Hij hoort bij het leven, net als de onzekerheid van een wazige spiegel.
De grootste verleiding waaraan wij bloot staan, is dat wij het waagstuk van ons onzekere bestaan inruilen voor zekerheden die we zelf construeren. Vrome zekerheden, jazeker: een gouden beeld voor God, een prachtige kerkleer waarin alles staat wat een mens moet weten. Prachtig en vroom, maar het blijven beelden waarmee wij God verhinderen om God te zijn.
Tegenover het eindeloze geheim van God, schieten al onze woorden en voorstellingen tekort.

God is God. En daarmee is alles gezegd.
Geloven in God betekent zijn oneindigheid, zijn vrijheid respecteren. En dan ga je ook de oneindigheid en de vrijheid van de mens respecteren. Dat is het geloof van die drie jongens:
“Ook al redt God ons niet, majesteit, weet dan dat wij uw goden niet zullen vereren, noch zullen buigen voor het gouden beeld dat u hebt opgericht.”
Zij geloven in een God die ook werkelijk God is. Niet als een instrument om je eigen angst te bezweren, of om dingen gedaan te krijgen die jij toevallig belangrijk vindt.
Hij is de bron van het leven die nooit raakt uitgeput. Daar vertrouwen die jongens op en daarom durven zij de afgrond onder ogen te zien.

“Wij hebben toch drie mannen in het vuur gegooid? roept Nebukadnezar in paniek. Maar ik zie vier mannen vrij rondlopen in het vuur. En die vierde lijkt op een godenzoon!”
Die joodse jongens in de ballingschap werden gedwongen alles op te geven, zo werd al eerder verteld: hun joodse namen, hun geloof, hun identiteit. Alles werd hen afgenomen. Maar Nebukadnezar heeft hen niet kapot gekregen. Hij kan hen andere namen geven, maar hij ontneemt hen niet het geloof in de naam van de Eeuwige. Zij hebben hun geloof en hun identiteit behouden.
En dat wordt daar in het vuur opeens zichtbaar. Het geloof, de identiteit van de jongens verschijnt als een vierde man naast hen, als een goddelijke kracht.
“In 't dodelijke uur, gaat Hij voor ons door het vuur.”
Ze houden elkaar vast en God houdt hen vast. Met z'n drieën zijn ze met z'n vieren. Dat is het enige antwoord op de afgrond die ons altijd vergezelt. Die vierde persoon: dat is hun geloof, dat is God.

Aan alles komt ooit een einde, schrijft Paulus in een van zijn brieven. Is dat einde een afgrond? Nee. In het besef van het einde resten ons drie dingen: geloof, hoop en liefde. Met die drie dingen kun je leven. Je hebt weet van de afgrond, maar bent er niet langer bang voor. Je probeert ook niet langer je eigen zekerheden in een beeld te gieten. Je hebt genoeg aan die drie: geloof, hoop en liefde. En de meeste daarvan is de liefde.
Dat is de waarheid van een wazige spiegel.

Amen

Heel de schepping, prijst de Heer!
Al zijn werken, geeft Hem eer!
En gij, engelen in koor,
Zingt uw gloria ons voor.

Want in 't dodelijke uur
Gaat Hij voor ons door het vuur
En Hij zal ons op doen staan
Om Hem achterna te gaan.

Tussentijds, nr. 56, vs. 1 en 9