28 augustus 2008
Gemeente van Jezus Christus,
Daniël in de leeuwenkuil. Het is een van de bekendste verhalen uit de bijbel. Net zo spannend als het verhaal van vorige week: de drie vrienden van Daniel in de vurige oven. Sterke verhalen, dat mag je zeker zeggen. Maar daar zit natuurlijk ook een probleempje, want voor sterke verhalen komen wij waarschijnlijk niet naar de kerk. Die hoor je op verjaardagsfeestjes al genoeg.
Heeft zo'n verhaal ook een betekenis voor ons? Daar gaat het hier in de kerk om.
Lezingen:
Daniël 6
Johannes 5:1-6
Zingen:
Gezang 169
verzen 1, 3 en 4
Even terug naar het begin. Het boek Daniël werd geschreven zo rond 165 voor Christus, als het joodse volk lijdt onder koning Antiochus. Een wreedaard, die de joden onderdrukt, en hen ook in godsdienstig opzicht kapot wil maken. De joodse identiteit moet verdwijnen. Hun heilige boeken worden verboden en in hun tempel wordt een beeld opgericht van de Griekse god Zeus. En de koning zelf laat zich Epiphanes noemen: de verschijning van God. Het kan allemaal niet erger.
Sommige mensen kiezen voor wanhopig geweld. Het is de tijd van de Maccabeeën. Maar dat is een kansloze onderneming. De onderlinge wreedheden nemen alleen maar toe.
De meeste mensen hebben het gevoel dat alles voorbij is. Als je slag na slag krijgt te verduren, dan ga je een keer door de knieën. Ze zijn alles kwijt, hun hoop en hun geloof. Ze vechten niet meer om te overleven. Ze verwachten niets meer. Het kwaad is over hen heen gerold en heeft hen gebroken. Ze kunnen niets meer en, het allerergste, ze willen ook niets meer. Zij zijn slachtoffers geworden.
In die situatie schrijft iemand, Daniël, dit boek.
Dit is de vierde
overdenking in de
serie over het
boek Daniël. Meer
overdenkingen
over Daniël vindt
u onder
'overdenkingen'
in het menu
hierboven.
Hij neemt zijn mensen mee vier eeuwen terug in de tijd, naar de ballingschap.
Wij vinden vandaag dat het er verschrikkelijk voorstaat met ons, maar weet je hoe erg de ballingschap was. Ballingschap, dat is toch het allerergste wat een volk kan overkomen!
En toch waren er toen mensen die wisten te overleven. Ze bleven geloven. Zij vertrouwden er op dat God hen nooit in de steek zou laten.
Waren dat dan misschien helden, van die mensen die alleen in sterke verhalen bestaan? Mensen, die nooit bang zijn en die blijven geloven wat er ook gebeurt?
Nee, zegt de verteller, het waren gewone mensen. Daniël en zijn vrienden, jongens van een jaar of 15, 16.
Was misschien het kwaad dat hen overkwam niet zo erg als wat wij vandaag hebben te dragen?
Je hebt geen idee, gaat de verteller verder, wat er met hen gebeurde. Ze werden in een brandende oven gegooid. En Daniël zelf, de hoofdpersoon, werd voor de leeuwen gegooid toen hij weigerde de koning te aanbidden.
Hoor het verhaal over deze joodse jongens in de ballingschap. Zij hielden vol. Wat hen ook werd aangedaan, zij lieten zich niet degraderen tot louter slachtoffer. Ze bleven vertrouwen op God.
Dat is wat de verteller wil zeggen. En daarom kiest hij in zijn verhalen voor de meest extreme omstandigheden en het zwaarste lijden: een vurige oven en een leeuwenkuil.
Jullie denken vandaag dat je het erg hebt, dat is ook zo. Maar ik vertel jullie over mensen die het minstens zo zwaar hadden. Hoor hoe zij reageerden. Hoor het verhaal over hun geloof en vertrouwen. Daar kun jij je aan op trekken.
Een mens is nooit alleen maar slachtoffer. Doe het jezelf niet aan.
Jezus ontmoet op een dag een man die al zijn hele leven ziek is.
“Wil jij gezond worden?” vraagt Jezus hem.
Wat een vraag, zou je zeggen. En dat tegen iemand die daar al 38 jaar ziek ligt, een compleet mensenleven. Het klinkt haast beledigend.
Maar dat is het niet. Jij bent ziek, ernstig ziek, en al heel lang. Je bent slachtoffer. Maar misschien ben jij het ook wel prettig gaan vinden om ziek te zijn. Misschien gebruik jij je ziekte wel als een middel om altijd de aandacht van andere mensen te krijgen. Want jij bent ziek, iedereen moet wel begrip voor jou hebben. Jij bent immers slachtoffer.
Daarom: wil jij gezond worden? Wat wil jij met je ziekte, en vooral: wat wil je met je leven? Tot hoever wil jij die ziekte laten komen. Tot hoever mag die ziekte heersen over jouw leven? Want je bent ziek, natuurlijk. Jij hebt te lijden. Dat is het punt niet.
Er is een andere vraag, en dat is: tot hoever mag die ziekte de dienst uitmaken in jouw leven? Laat jij jezelf helemaal opgaan in je ziekte; is die ziekte jouw identiteit geworden? Is dat het enige waar jij nog over wilt praten?
Of ben je mens gebleven; een mens, die weliswaar ziek is, maar die allereerst mens is: met geloof, met geestkracht, met een eigen identiteit die verder gaat dan het kwaad dat jou overkomt?
Daarom nogmaals: wil jij gezond worden?
Een mens kan een boel nare dingen meemaken in het leven. Maar hoe erg dat ook mag zijn, de vraag blijft altijd: ben jij alleen maar slachtoffer of wil je nog een rol spelen in je eigen leven? Misschien zelfs de hoofdrol?
Dat is de vraag die Daniël met zijn verhalen voorlegt aan zijn tijdgenoten die zo vreselijk te lijden hebben onder Antiochus. Ze zijn alleen nog maar slachtoffer. Weggezonken in apathie. Maar wat lever je dan een boel in als mens. Eigenlijk hef je jezelf als mens op, als je het kwaad zo ver laat komen in je leven.
‘Mijn rechter is God’, betekent de naam Daniël. In die volgorde: mijn rechter is God. Het is het thema van het boek. De hoogste instantie en de enige instantie die mijn leven bepaalt is God. Er is geen andere god in mijn leven. Niet het kwaad dat mij overkomt. Niet die koning die denkt dat hij almachtig is. Niet de ziekte die mij heeft getroffen.
Ik sta niet toe dat het kwaad en het lijden mijn leven in de greep krijgen. Ik wil geen slachtoffer zijn maar hoofdrolspeler in mijn eigen leven.
Daniël en zijn vrienden zijn slachtoffer. Natuurlijk. Zij zijn weggevoerd in ballingschap. Maar zij willen een rol blijven spelen. Dat is geloof en dat is hoop.
Wat doen zij dan? Zijn zij helden?
Nee. Wat Daniël doet is heel eenvoudig. Zo eenvoudig dat je er gemakkelijk over heen leest.
“In zijn bovenvertrek had Daniël in de richting van Jeruzalem open vensters. Daar knielde hij neer, bad tot zijn God en prees hem, driemaal per dag.”
Daniël houdt het venster van zijn huis geopend. De gevaren en de pijn zijn groot. Maar Daniël blijft naar de horizon kijken. Hij blijft geloven en hopen op God.
De vensters moeten open blijven staan. Hij laat zijn leven niet dichttimmeren door het kwaad. Een mooiere omschrijving van wat een gelovige is, zul je zelden tegengekomen.
Wat een gelovige is? Een gelovige zorgt er voor dat de vensters van zijn leven altijd geopend blijven. Zelfs bij het ergste kwaad, blijft hij turen naar de horizon.
Amen
Zingt nu de Heer, stemt allen in
met ons die God lofzingen,
want Hij deed ons van het begin
verrukkelijke dingen.
Hij heeft het menselijk geslacht
in 't licht geroepen en bedacht
met louter zegeningen.Voor 't leven hebben wij de dood,
het lege niets verkozen,
voor vrede vreze, steen voor brood,
voor 't eeuwig goed de boze.
Wij hebben onze ziel verkocht
van ademtocht tot ademtocht
aan die genadeloze.Maar God heeft naar ons omgezien!
Wij, in de nacht verdwaalden,
hoe zou het ons vergaan, indien
Hij ons niet achterhaalde,
indien niet in de duisternis
het licht dat Jezus Christus is
gelijk de morgen straalde.
Liedboek voor de kerken, Gezang 169: 1, 3 en 4