In de vorige overdenking hebben we overdacht hoe mooi het beeld is van God-de-Vader. God die zich vol moederlijke ontferming wijdt aan de mensen, en die wij daarom Vader noemen. Het zijn hoogtepunten in je leven, als je ervaart dat je wordt beschermd door een macht van liefde; als je in de wereld om je heen tekenen van goedheid ziet.
Lezingen:
Job 3:1-11
Job 40
Job 42:1-6
Maar is het mogelijk dat mooie beeld vast te houden? Want er is zoveel meer in de wereld, zoveel kwaad waar mensen door getroffen worden. Ergens in Friesland bevindt zich het graf van een jongen die werd doodgeschoten aan het eind van de oorlog. De schrijver Gerard (van het) Reve schreef er ooit een indringend gedicht over:
Graf te Blauwhuis
Hij rende weg, maar ontkwam niet,
en werd getroffen, en stierf, achttien jaar oud.
Een strijdbaar opschrift roept van alles,
maar uit een bruin geëmailleerd portret
kijkt een bedrukt en stil gezicht.
Een kind nog. Dag lieve jongen.Gij, die koning zijt, dit en dat, wat niet al,
ja ja, kom er eens om,Gij weet waarom het is, ik niet.
Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?Gerard (van het) Reve
Dit is de vierde
overdenking in
een serie over
de Apostolische
Geloofsbelijdenis.
Meer over de
geloofsbelijdenis
vindt u onder
'overdenkingen'
in het menu
hierboven.
Een emotioneel protest, tegen God, vanwege het onbegrijpelijke kwaad dat mensen treft: Gij, die koning zijt, dit en dat, wat niet al, ja ja, kom er eens om.
Als God een ontfermende vader is, en als God koning is ("omgord met macht, bekleed met majesteit"), hoe kan dat dan: al dat lijden van de mensen? Natuurrampen, vreselijke ziekten; en nog het ergst: het onnoemlijke leed dat mensen elkaar aandoen.
Is dat Gods schepping? Wil God dat, doet Hij het, of staat Hij dat toe? Hoe is God betrokken bij al dat lijden?
Mensen van alle tijden worstelen met die vragen, zoals Gerard Reve in zijn gedicht. Het zijn de vertwijfelde vragen van Job als hij getroffen wordt door de ene na de andere ramp. Job verliest alles, zijn bezit, zijn dierbaren. Hij zelf eindigt als afval op een vuilnisbelt.
Waar is God in dat alles? Vrome vrienden van Job weten het precies. God doet niet zomaar zoiets. Er moet iets mis zijn in jouw leven, Job. Beken schuld aan God, vraag vergeving voor al je zonden, en je zult zien: dan komt alles weer goed. God zal er een bedoeling mee hebben.
Hoe vaak zijn dergelijke dingen ook in kerkelijke kring niet gezegd: God straft jou voor je zonden; of: Hij stelt je op de proef; Hij bedoelt er iets mee; aanvaard het nu maar; wees niet zo opstandig tegen God; Hij wil jou door het lijden sterker maken.
Er zijn altijd vrome vrienden die goed op de hoogte zijn van Gods bedoelingen en die anderen graag vertellen hoe zij hun lijden moeten ondergaan.
Maar Job weigert elke verklaring voor het lijden dat hem overkomt. Hij protesteert tegen God. Het kwaad dat ik onderga is je reinste willekeur. Als God daar de hand in heeft, en dat gelooft Job, dan eis ik uitleg van God zelf. Gij, die koning zijt, dit en dat, wat niet al, ja ja, kom er eens om. Hoe zit het eigenlijk, God!
Job vervloekt zijn geboortedag. Liever had hij niet geleefd dan dit onrecht te moeten ondergaan. “Waarom ben ik niet in de moederschoot gestorven, niet gestikt toen ik ter wereld kwam?” (3,11)
In een van zijn romans beschrijft de Russische schrijver Dostojevski een lang gesprek tussen twee broers. Aljosja, de jongste, is een gelovige monnik; Iwan, de oudste, is ongelovig, een man die weet wat er te koop is in de wereld. Beste Aljosja, zegt Iwan, het gaat mij niet om God. Wees gerust, ik zal God niet ontkennen. Waar ik problemen mee heb, dat is de wereld en het eindeloze kwaad dat mensen elkaar aandoen. Heb je niet gehoord over die grootgrondbezitter, wat hij deed met een kind dat iets verkeerds had gedaan. Hij liet het kind verscheuren door zijn jachthonden, voor de ogen van zijn moeder. Of denk je soms dat dat een uitzondering was? Moet ik meer verhalen vertellen? Dat gebeurt elke dag duizenden keren over heel de aarde. Die wereld, Aljosja, “schepping van God”, die wereld hoef ik niet. Ik geef mijn toegangskaartje voor die wereld terug.
Dat is Job: ik was liever gestorven in de moederschoot!
Het zijn verschrikkelijke klachten om aan te horen, dat zeker. Maar ze vertellen wel wat er in de wereld gebeurt en waar geen mens om heen kan. Jammer dat je die vragen in de kerk zo weinig hoort; alsof christenen met behulp van hun geloof zich kunnen afsluiten voor het kwaad in de wereld. We mogen dankbaar zijn voor mensen als Iwan, de broer van de vrome Aljosja, voor schrijvers als Gerard Reve en voor Job. Want zij drukken ons met de neus op de harde feiten van deze wereld. En als wij geloven, dan zullen we dat toch in deze wereld moeten doen. Dus, hoe zit het met dat kwaad en met Gods liefde?
Wat blijft er over van God, de ontfermende Vader, als je die klachten serieus neemt? Is er een antwoord op die emotionele klachten over het kwaad?! Krijgt Job antwoord?
Ja, Job krijgt antwoord van God. Een vreemd antwoord. God lijkt helemaal niet in te gaan op de klacht van Job over de willekeur van het kwaad dat hem treft.
God doet iets anders. Hij vertelt uitvoerig over zijn scheppingswerk en dat mondt uit in een vraag, een tegenvraag aan Job: heb jij, Job, soms kennis van de schepping?
Waar was jij toen ik de aarde grondvestte?
Vertel het me, als je zoveel weet.
Wie sloot de zee af met een deur,
Toen ze uit de schoot van de aarde brak?
Heb jij, Job, ooit de morgen ontboden,
De dageraad zijn plaats gewezen?
Kun jij de aarde in haar volle uitgestrektheid bevatten?
Vertel het, als je het allemaal weet!
Waar is de weg naar de oorsprong van het licht,
En de plaats van het donker – is die jou bekend?
Geef daar eens antwoord op Job, jij, die meent God terecht te kunnen wijzen!
Kun jij de schepping doorgronden? Kun jij bevatten alles wat leeft en beweegt op deze aarde?
En God gaat verder: Kijk eens naar het nijlpaard dat ik heb geschapen, net als jou. Zo’n enorm monster, maar het eet gras als een rund. Hij slurpt een hele rivier leeg zonder zich te haasten.
En de krokodil, nog zo’n vreeswekkend monster. Kun jij de krokodil met een haakje vangen? Kun jij hem aan een touwtje meenemen om te laten zien aan de meisjes?
Wat weet jij, Job, kleine mens die je bent, nou helemaal van de wereld en van het menselijk bestaan? Helemaal niets toch!
God ontkent het lijden van Job niet. Hij legt het ook niet uit. Hij vraagt Job anders te kijken naar zijn lijden en naar zichzelf. In heel dat verhaal van God over de schepping gaat het over allerlei dieren, maar geen woord over de mens. En dat is verrassend, want de mens ziet zichzelf graag als middelpunt van de schepping. Vandaag net zo goed als vroeger. De mens is voor ons het criterium. Als iets slecht is voor de mens, dan zien wij het sowieso als kwaad, want de mens heeft zichzelf tot maat van alle dingen gemaakt.
Dat is de belangrijkste les die Job te leren krijgt. De wijsheid die mensen van lang geleden in de gedichten van het boek Job aan ons doorgeven.
Waar haal je het vandaan om jezelf als mens zo in het middelpunt van de schepping te plaatsen en te denken dat alles wat gebeurt goed zou moeten zijn voor jou? En waar haal je het vandaan dat jij alles zou moeten en zou kunnen begrijpen? Als jij niet in staat bent de kleinste onderdelen van de schepping te begrijpen – de regen, een bloem, een dier – hoe zul je dan het geheel begrijpen? En hoe zul je jouw eigen plaats in dat grote geheel kunnen begrijpen?
Geloven is niet dat je alles begrijpt, dat je zelfs God begrijpt, en dat je meer weet dan andere mensen. Geloven is juist: erkennen dat jij als mens niets weet; zeker niet van het geheim van alle leven; en dat je je toch in vertrouwen overgeeft aan de Schepper van hemel en aarde, de Schepper van jouw leven. Vertrouwen dat achter de onbegrijpelijke dingen die gebeuren uiteindelijk toch de goede wil schuil gaat van de Schepper.
't Is wijsheid wat Hij doet, zegt een oud lied. Dat is niet een verklaring waarmee je andere mensen in hun leed ook nog eens om de oren kunt slaan; maar het is overgave van jezelf; stil zijn als je nadenkt over de raadselachtigheid van alles wat bestaat; leren te vertrouwen dat het uiteindelijk goed is.
Geloven is de dingen van het leven anders leren zien: in vertrouwen.
Ik geloof in God, de Almachtige, schepper van hemel en aarde. We zingen ervan: De Heer is koning, Hij regeert altijd, omgord met macht, bekleed met majesteit (Ps. 93).
Niets gebeurt buiten zijn wil om. Je kunt het niet begrijpen, maar je hebt leren vertrouwen.
God heeft een linker- en een rechterhand, zei Maarten Luther. Je komt niet alleen zijn ontferming tegen, maar ook onbegrijpelijke, pijnlijke dingen. En ook daar heeft God de hand in, want Hij is God.
God gaat ruig om met zijn schepselen, zei ooit een theoloog. Maar je hebt leren geloven dat het ware gezicht van God schuil gaat achter die onbegrijpelijke dingen.
Zijn duistere voorzienigheid verhult zijn mild gelaat (Gz 447), zegt een lied.
Job zegt daarna niet veel meer. Hij beseft zijn onkunde. Ook hij sprak over God slechts in theorieën. Net als zijn vrienden.
Ik kende U slechts van horen zeggen, bekent hij. Maar nu heb ik u met eigen ogen aanschouwd. Achter al het kwaad van de wereld, heeft hij het milde gelaat van God ontdekt.