19 augustus 2009
De schrijfster Nelleke Noordervliet vertelt in haar roman “De naam van de vader” het verhaal van een vrouw die kort na de oorlog is geboren, als kind van een Nederlandse vrouw en een Duitse soldaat. Als meisje van 6, 7 jaar wordt ze door andere kinderen en door volwassenen uitgescholden: “moffenkind”, “je moeder is een moffenhoer”. Het verhaal vertelt dan:
Ze droomde in die tijd vaak dat ze vastgebonden lag in een ondiepe kuil in de grond. Rondom was een kale woestijn. Van achter de horizon kwam een geluid, een zoemen, een steeds harder en dreigend zoemen, totdat er gestalten zichtbaar werden aan de rand van haar blikveld. De gestalten werden groter, het zoemen werd oorverdovend. Groter en groter en dichter en dichter en luider en luider; de mensen zonder gezichten trokken op totdat zij een haag vormden rond haar kuil. Van angst werd ze wakker. (..) Toen begon ze boete te doen. Ze nam de schuld op zich. Haar lichaam was het levende bewijs van moeders verraad” (p. 54-56).
Lezingen:
Genesis 12:1-11
Hebreeën
11:8-10 en 13-16
Zo gaat het vaak tussen mensen. Mensen vormen een kring, een groep, door een iemand anders aan te wijzen als zondebok. Door luid te roepen wie er níet bij de groep hoort, wie er fout is of slecht, kan de groep zichzelf als groep bevestigen.
Het is een wreed mechanisme, maar je ziet het steeds weer terugkomen. Elke groep heeft de neiging zich sterk te maken door zich af te zetten tegen anderen, die er ander gedrag op na houden of er anders uitzien.
We kennen de dramatische voorbeelden: de jodenhaat, en momenteel de moslimhaat bij bepaalde groepen. En heel dichtbij: onze eigen kerken hebben altijd mensen buitengesloten die zich niet aanpasten aan de regels en het geloof van de groep. Groepsdwang kan bestaan binnen elke groep. En hoe meer de groep overtuigd is van zichzelf en van het eigen geloof, des te groter is dat risico.
Dit is de eerste
overdenking in
een serie over
de Apostolische
Geloofsbelijdenis.
Meer over de
geloofsbelijdenis
vindt u onder
'overdenkingen'
in het menu
hierboven.
Het is verrassend dat de joodse en christelijke traditie iemand hebben aangewezen als vader van alle gelovigen, die juist datgene doet wat binnen elke groep nogal riskant is: iemand die een andere weg durft te gaan dan de groep waartoe hij behoort. Abram, vader van de gelovigen. Dat betekent: model of prototype van het geloof. Aan hem, aan de verhalen over hem kun je aflezen waar het om gaat bij het geloof, zegt de traditie. Ook voor moslim-gelovigen vervult Abram deze belangrijke functie.
En wat vertellen de verhalen over Abram? Het allereerste: dat hij de ongelooflijke moed heeft zich te verzetten tegen de groep waartoe hij behoort. Tegen alles wat hij in zijn jeugd heeft meegekregen; alles wat hij heeft geleerd, aan cultuur en aan geloof. Abram komt tot inzicht dat dat het niet is; dat hij geen mens kan zijn, zolang hij blijft binnen de grenzen van zijn omgeving. Om te ontdekken waar het om gaat in het leven, om zichzelf te ontdekken, moet hij breken met alles wat tot dan toe belangrijk en goed is geweest voor hem. En hij ervaart dat als een goddelijke opdracht, een zaak van geloof.
Ik geloof, zegt Abram, en hij laat alles achter zich.
Was het dan zo slecht wat Abram had meegekregen van zijn omgeving? Had hij slechte ouders, die hem alleen maar verkeerde dingen leerden?
Nee, daar vertelt het verhaal niets over. Geen slecht woord over de gemeenschap waarin Abraham is opgegroeid. Ga er maar van uit dat zijn ouders en andere mensen hem met liefde hebben bijgebracht wat de juiste normen en waarden zijn, en wat het goede geloof is. Zoals de meeste ouders dat doen.
Alleen, ouders denken nogal eens dat dat het dan ook is, wat zij hun kinderen hebben bijgebracht. En ze vinden het uiterst pijnlijk als hun kinderen daar van blijken af te wijken.
Bij Abram zie je het omgekeerde. Als het gaat om de invulling van jouw bestaan – wat is voor jou belangrijk in het leven, wat geloof jij en waar doe je beslist niet aan mee – als het daar om gaat: dan zul jij zelf moeten kiezen. Niemand kan de cruciale keuzen van het leven voor jou maken. Niet je omgeving, niet je ouders, niet de kerk. Jij moet het zelf doen. Daarin blijkt juist dat jij persoon bent. Mens met een gezicht. En niemand, ook je ouders niet, heeft het recht jou te verwijten dat jij zelf de keuzen van het leven maakt.
Het is zelfs een oud, centraal inzicht van de Reformatie: als mens sta jij zelf voor God, en jij bent de enige die kan bepalen met wat voor geloof jij door het leven zult gaan.
Zelf op weg gaan. Waarheen? Abram gaat op weg zonder te weten waarheen. Maar hij weet intuïtief kennelijk één ding wel: de waarheid ligt niet achter ons, de waarheid ligt vóór ons. En daarom is menszijn op deze aarde voortdurend op reis zijn; levenslang geboortepijn; op zoek zijn naar een bestemming die je niet kent, niet kunt kennen.
Het probleem is niet dat mensen anders kiezen dan hun ouders, of hun kerk. Het probleem is dat nogal wat mensen vaak helemaal geen keuzen maken. Mensen die de belangrijkste beslissingen van het leven overlaten aan hun ouders, aan de kerk of aan hun omgeving; mensen die alleen maar doen en geloven wat de mensen om hen heen doen en geloven.
Geloven is dat je zelf op weg gaat. Zo spreekt de Hebreeënbrief over het geloof van Abram en mensen zoals hij: op doorreis zijn; leven als vreemdelingen en gasten; niet meer dan een glimp zien van wat ze hopen.
Dat vraagt nogal wat; het vergt moed. Want de natuurlijke neiging die wij hebben is juist om de onzekerheid en daarmee de beweging uit ons leven te halen. We hebben het graag over vaste grondslagen en zekerheden. We willen graag weten wat het nu precies is, het geloof en de waarheid. En als we het denken te weten, leggen we het vast in documenten, zoals een belijdenis. Nog een stapje verder en zo’n belijdenis gaat fungeren als maatstaf waar iedereen zich aan moet houden. De geloofsbelijdenis als notariële acte die je moet ondertekenen. De stap naar groepsdwang en geloofsdwang is dan nog maar heel klein. En dan zijn we heel ver bij Abram vandaan.
De Remonstranten hebben om die reden altijd geweigerd er als kerk een officiële belijdenis op na te houden. Zij nodigen iedereen uit naar voren te komen met zijn of haar eigen geloofsbelijdenis. Om geloofsdwang te voorkomen. En als je hun geschiedenis kent, kun je dat begrijpen. Belijdenissen zijn inderdaad dikwijls gebruikt als middel om een bepaald geloof op te leggen.
Maar je kunt natuurlijk ook anders omgaan met belijdenissen uit het verleden. Niet als waarheid waaraan wij moeten geloven, maar als handreiking; niet als verplichting maar als de inzichten van vorige generaties, die wij mogen gebruiken om daarop verder te bouwen. Ze kunnen ons inspireren, maar we mogen er ook van afwijken.
Zo stel ik u voor om te gaan met de Apostolische Geloofsbelijdenis. Het is niet de waarheid over het geloof. Niemand moet zich verplicht voelen om zo te geloven als het daar staat. En we moeten al helemaal niet proberen elkaar daartoe te verplichten. Geloof en dwang zijn twee dingen die elkaar uitsluiten.
Geloof is een bal die ooit is gaan rollen, en die vooral moet blijven rollen. Op het moment dat het geloof niet meer in beweging en in verandering is, houdt het op geloof te zijn. Dan gaat geloof over in bijgeloof, omdat het zich vastklampt aan menselijke stelligheden alsof die de laatste waarheid vertegenwoordigen.
Geloof is een edelsteen die meerdere kanten heeft, de een nog mooier dan de ander. Je raakt er niet op uitgekeken. Je kunt de steen blijven draaien en steeds ontdek je weer nieuwe kanten. Je kunt nooit alle kanten tegelijk boven krijgen. Hoe je ‘m ook draait, welke kant jij ook boven legt, het blijft altijd een keuze voor bepaalde kanten waarbij andere buiten zicht blijven.
De Apostolische Geloofsbelijdenis is de manier geweest waarop christenen in een ver verleden de edelsteen van het geloof hebben bekeken. Ze hebben bepaalde kanten naar boven gedraaid – en andere kanten dus naar onderen. Wij mogen daarmee verder gaan. Wij draaien de steen op een andere manier rond. Vandaag krijgen bepaalde aspecten die men vroeger misschien niet eens zag, alle aandacht; weer andere aspecten zullen onderbelicht blijven, maar die zullen anderen na ons misschien wél zien.
Elke belijdenis heeft haar eigen eenzijdigheid. Daarin ligt juist haar charme en kracht, die natuurlijk tegelijk ook weer haar zwakte is. Voel je vrij om er van af te wijken, om je eigen belijdenis er aan toe te voegen. Want alleen zo blijft de traditie een levende stroom.
Als wij vandaag onze inzichten toevoegen aan die van andere mensen, in verleden en heden, dan kan er langzaam een steeds vollediger beeld ontstaan van die prachtige edelsteen die het geloof is.
Daarmee zijn we vandaag onze bezinning over de geloofsbelijdenis begonnen. En vergeet niet wat het verhaal zegt: “Steeds verder reisde Abram, door de woestenij van deze wereld”.