19 augustus 2009
Vorige week begonnen we met de eerste woorden van de Apostolische Geloofsbelijdenis: Ik geloof. Aan Abraham, de vader van alle gelovigen, kun je zien wat geloven is; het is op weg gaan, zonder dat je nog gezien hebt waar je op hoopt en waarin je gelooft. Wie gelooft heeft een visioen van een andere wereld dan alleen het zichtbare en tastbare om ons heen. En dus richt je je op die tweede wereld, voorbij de gewone dingen. Gelovigen heten in de bijbel daarom ook wel: mensen van de weg.
Om dat te kunnen heb je vertrouwen nodig. Want je ziet nogal wat mensen die van de weg af zijn geraakt. In de berm terecht gekomen, omdat ze rampen kregen te verduren, of omdat ze door anderen van de weg werden afgeduwd.
Waar is God in dat alles, kun je je afvragen. Zeker als je leven slechts uit ploeteren bestaat. Waar is God? Is Hij er wel? Ik wil dat visioen van een onzichtbare wereld graag bewaren, een wereld van liefde en vrede, maar ik zou er zo graag wat van zien. Ik zou iets van God zelf willen zien.
Lezingen:
1 Koningen 19:9b-14
Johannes 8:1-11
De profeet Elia is zo iemand die het zwaar te verduren krijgt en daar bijna aan ten gronde gaat. Elia heeft machtige vijanden gekregen, waaronder koningin Izebel. Die bedreigt hem met de dood. Elia vlucht. Iedereen is tegen hem.
“God, het is genoeg geweest. Maak een eind aan mijn leven. Het doet er allemaal niet meer toe”. Hij legt zich te slapen in een donkere spelonk.
Elia is niet de eerste de beste in de bijbel. Een man van geloof. Maar hij durft openlijk te zeggen, wat gelovige mensen lang niet altijd durven te erkennen: dat hij het niet meer gelooft; dat God uit zijn leven is verdwenen.
Een troostrijk verhaal, over de mens in zijn zwakheid. Je geloof kan je ontvallen. Maar dat betekent niet dat God jou laat vallen. Dat vertelt het verhaal.
Dit is de tweede
overdenking in
een serie over
de Apostolische
Geloofsbelijdenis.
Meer over de
geloofsbelijdenis
vindt u onder
'overdenkingen'
in het menu
hierboven.
Elia hoort een stem. Een stem die hem roept. “Kom naar buiten. Verberg je niet langer”.
Daar begint geloof altijd weer mee: kom tevoorschijn, uit de duistere spelonk van je leven, kom naar buiten.
“En de Heer kwam voorbij”, vertelt het verhaal. God is niet een begrip. Hij komt voorbij en kan door de mens worden ervaren. Eerst is er een geweldige windvlaag die bergen splijt en de rotsen aan stukken slaat; maar daarin is God niet. Dan is er een aardbeving; ook daarin is God niet. En dan een vuur. Ook daarin is God niet te vinden. Geen enkele kracht op deze aarde is groot genoeg om het geheim van God te onthullen aan de mens.
Na dat alles klinkt het gefluister van een zachte bries. En dan weet Elia het: God. Hij is er. In de stilte is God te vinden. Elia slaat de mantel voor zijn gezicht; hij hoeft niets te zeggen en hij wil ook niets zeggen.
Elk woord dat Gods nabijheid zou proberen uit te leggen, te verklaren of te bewijzen, is te veel. Doet afbreuk aan God. Wees stil.
Je loopt in je vakantie zomaar een kerk binnen; er is niemand; alleen die ruimte, met zijn geschiedenis; de sporen van generaties mensen die daar zijn geweest; de schilderijen, de beelden; het orgel; het gewelf. Maar het meest nog: de stilte.
Een stille, lege kerk kan je soms nog meer doen dan een stampvolle kerk. Je voelt iets wat moeilijk is uit te leggen: God die jou rakelings nabij is.
En mochten er andere mensen zijn in die ruimte: laat ze alsjeblieft niets zeggen, laat het gewoon zo zijn zoals het is.
Laat niemand door de stilte heen praten. Sla de mantel voor je gezicht.
Kerkje van Fransum
Bestaat nog god, kleine sarcofaag
van het geloof, even leeg
als de dorische tempels van Paestum:
hun zuilen een schuilplaats voor andere vogels
dan goden – als ik naar hem vraag?Kleine mummie van steen
zonder hart, tabernakel,
zonder plaats voor een wijkaars, bescherm je
met jouw lichaam ons landschap
als bodem voor de hemel? Ik vraag maar.Stille klankkast voor buiten, voor grutto’s
in juni, het loeiende melkvee bij ’t hek –
zo gesloten, een avond, ik zit in het gras
tussen jouw zerken, zo ben je het mooist:
dicht, van uitblijvend antwoord de schrijn.C.O. Jellema
Zo heb ik jou het liefst, zegt de dichter Jellema tegen het oude kerkje van Fransum op het platteland van Groningen: “dicht, van uitblijvend antwoord de schrijn”. Jij, oud kerkje, jij bent de plek waar ik kan wachten, in stilte, op een antwoord. En ook al hoor ik dat antwoord nooit, het wachten zelf op die stem is voor mij de ervaring van Gods nabijheid.
Ik ervaar God in het verlangen naar God.
Zoals de Hebreeënbrief zegt (hfd. 11): het geloof zelf is de werkelijkheid van de dingen die wij hopen.
En de kerk? De kerk is waardevol, niet omdat zij het antwoord op ons verlangen zou hebben, maar voorzover en omdat zij plaats biedt aan dat verlangen. Zij is een schrijn, een kast waar het verlangen en wachten van de mensen is opgeslagen.
“Van uitblijvend antwoord de schrijn”.
Zo lees ik ook het verhaal over Jezus uit het Johannes evangelie. Farizeeën en schriftgeleerden brengen een vrouw bij Jezus die overspel heeft gepleegd. Volgens de wet van Mozes behoort zij gestenigd te worden. En dat is wat die vrome mannen willen doen. Je ziet ze staan in een grote kring met die vrouw in het midden. Bijbelteksten vliegen in het rond; de wil van God, als een moordwapen in het rond geslingerd. Razernij van mannen; blinde haat jegens een vrouw die heeft gedaan wat zíj met de strengste regels hebben afgeschermd en wat voor hen nooit een bron van genot en geluk zal zijn. Hoeveel huichelachtigheid verbergt zich achter menselijke vroomheid!?
Ze zijn ongenadig in hun kennis van God. Ze kijken niet op een dode meer of minder als het gaat om de waarheid van hun geloof.
Gelovige mensen hebben atheïsten nodig, schreef Jean Jacques Suurmond onlangs in zijn column in Trouw. En zo zit het precies: wij hebben atheïsten nodig, intelligente atheïsten, zoals Suurmond zegt. Mensen die ons kritiseren als wij, gelovigen, al te luidruchtig over God praten. Mensen die de spot met ons drijven als wij de indruk geven alles te weten over God. Als wij te stellig zijn, als wij in onze stelligheid ongenadig worden jegens andere mensen die niet geloven als wij, of die er andere normen en waarden op nahouden.
Laat er inderdaad mensen zijn die ons er aan herinneren dat geen sterveling ooit God heeft gezien en dat ons kennen heel erg beperkt is. Want de grootste valkuil voor gelovigen is dat wij dat vergeten.
Ik kwam een prachtig woord van de kerkvader Augustinus tegen: “Als je denkt iets van God begrepen te hebben, dan heeft wat je begrijpt, niets met God te maken”.
God kan ons slechts nabij zijn in een stille ruimte, voorbij onze vroomheid en onze kennis, voorbij ons spreken. Als wij het gelaat omwinden, zegt de dichter.
En Jezus? Wat doet Jezus als de Farizeeëën die vrouw bij hem brengen? Hij zegt aanvankelijk niets. In al dat geschreeuw over Gods wil, over normen en waarden die toch heilig zijn, en dat mensen vandaag de dag maar doen waar ze zin in hebben; in al dat zelfverzekerde geschreeuw is geen ruimte voor God, daar gaat een mens volledig ten onder.
Wat heb je aan normen en waarden, wat heb je aan wetten, als er geen mededogen is.
Wat heb je aan vroomheid, als er geen ontferming is.
Jezus bukt zich en schrijft met zijn vinger in het stof. Laat het asjeblieft stil zijn. Laat die schreeuwende vromen asjeblieft beseffen dat ook zij slechts stof zijn. Met een paar woorden doorbreekt hij de huichelachtigheid van de Farizeeën; ze druipen af, de een na de ander. Hun vroomheid ontmaskerd.
Hij zegt heel weinig in dit verhaal, Jezus. Hij noemt God niet eens. Hij hurkt op de grond; hij creëert stilte, een stille ruimte, voorbij het menselijk geloof en voorbij de menselijke moraal. Een stilte waar God aanwezig kan zijn, als een zachte bries van ontferming in een keiharde wereld. En zo kan die vrouw Gods nabijheid ervaren.
“Ga heen”, zegt Jezus. Net als Abram, net als Elia, en vele anderen staat zij op en gaat op weg. Het visioen van die andere wereld, de wereld van liefde en ontferming, is een kort moment werkelijkheid voor haar geworden. In Jezus is die andere wereld heel even dichtbij gekomen. Daarmee kan zij weer leven.
Waar is God in deze wereld? Bestaat hij wel? Wat moet je doen om hem tegen te komen?
Doen als Jezus. Neerhurken in het stof van de wereld; stil zijn; de mantel voor je gelaat slaan.
Alleen dan, als er een stille ruimte ontstaat, kan God aan ons verschijnen: als een zucht van ontferming in deze meedogenloze wereld.
Zo is Hij “ons rakelings nabij”.