Henk Vijver

<< terug

Leven met een bescheiden waarheid

23 februari 2009

“Christendom noch Islam is een inspirator geweest voor de democratie.” Aldus de eerste stelling waarop wij als sprekers vanavond mogen reageren.
Ik zal niet beweren dat het christendom de grote inspirator van onze democratie is geweest, maar haar rol is ook weer niet uitsluitend negatief geweest. Dat wil ik graag toelichten.

Ontstaan van de democratie

Europa heeft in het verleden erg geleden onder godsdienstoorlogen tussen verschillende stromingen binnen het christendom. Reeds in de Middeleeuwen werden ketterse stromingen met grof geweld bestreden, maar het geweld bereikte dramatische hoogtepunten in de 16e en 17e eeuw in de oorlogen tussen katholieken en protestanten. In sommige gebieden werd bijna de helft van de bevolking uitgemoord, en werden dorpen en steden volledig vernietigd. Een rampzalige tijd.
Die verschrikkingen vormen de achtergrond van de Verlichting, de cultuurperiode die de tweede helft van de 17e en de hele 18e eeuw bestrijkt. De Verlichting is de poging af te rekenen met dit verleden. En men besefte heel goed dat dat alleen mogelijk zou zijn als de verhouding tussen godsdienst en staat anders zou worden geregeld dan daarvoor. Godsdienst en staat moesten uit elkaar worden gehaald en gehouden.

In de eeuwen daarvoor vormden godsdienst en staat een eenheid. Wie in een protestants gebied woont, is protestant, en in een katholiek gebied ben je katholiek (‘Cuius regio, eius religio’, zo luidt de officiële titel voor die situatie).
De christelijke kerken hielden er een absolute waarheidsclaim op na. De kerk kent de waarheid, die waarheid geldt voor iedereen, is universeel, en heeft betrekking op alle gebieden van het leven. Daar kan dus niet de waarheid van een ander geloof naast bestaan. Gebeurt dat wel, wat het geval was vanaf de Reformatie, dan breekt de hel los. Dat gebeurde in de godsdienstoorlogen.
Verlichting betekent dat steeds meer gebieden van de samenleving zich losmaken van die kerkelijke voogdij. Om economie te bedrijven, wetenschap, en ook voor de moraal, hebben we de godsdienst niet nodig. We hebben ons verstand, de Rede, en daar zullen we het mee moeten doen. En dat kan ook, daar was men van overtuigd. Politiek en samenleving redden het voortaan zonder godsdienst. Dat zijn we gaan kennen als de scheiding van kerk en staat, de basis van onze democratie.
Wat de burgers betreft: zij mogen er individueel het geloof op nahouden dat zij verkiezen. De staat bemoeit zich daar niet mee en de staat laat zich ook niet de wet voorschrijven door deze of gene godsdienst. De staat maakt geen keuze als het gaat om religie. De staat is seculier. In de publieke sfeer (bijv. de rechtszaal) is dan ook geen ruimte voor religieuze symbolen als een keppeltje, een hoofddoekje of een kruis.

Winst

De winst van deze ontwikkeling voor de burgers is groot. Ze mogen voortaan zelf kiezen of ze een geloof aanhangen en welk geloof dat is. De scheiding van kerk en staat beschermt de burgers tegen bemoeienis van de staat met hun geloof. De staat garandeert de ruimte voor iedereen om te leven naar eigen inzichten, steeds binnen de grenzen van de wet. Ook de non-believers krijgen hiermee een plek, zoals de nieuwe president van de USA, Obama, recent nog eens liet weten.
Niemand mag jou dus meer vervolgen om je geloof of ongeloof.
Ondenkbaar is wat er een week geleden nog in Somalië gebeurde, waar een politicus werd geëxecuteerd omdat hij een islam-afvallige zou zijn (Trouw 17.01.09). Het ontstaan van de moderne, seculiere staat is een zegen voor gelovige en voor ongelovige burgers.

De prijs

De godsdiensten betalen er wel een prijs voor, namelijk dat ze aan invloed verliezen. Geloof wordt een privé-aangelegenheid. Beter echter is het om te zeggen dat de kerken in de publieke ruimte een ander soort presentie moeten zoeken dan vroeger. Zij zullen hun waarheidsclaim moeten opgeven. Zolang een godsdienst namelijk van mening is dat zij de waarheid kent, ook over de inrichting van de samenleving, is deze ontwikkeling niet mogelijk.
Die stap blijft de kerken en veel christenen dikwijls moeite kosten.
Een recent voorbeeld daarvan is de rol van de Christen Unie in de discussie over embryoselectie. Waarom mag een verruiming van die selectie niet? Omdat God het verbiedt, was het antwoord van de CU. Nu mag een gelovige uiteraard vinden dat hij de wil van God vertolkt, hij mag het ook luidop zeggen, ook in het parlement, alleen: de wil van God is geen argument in de politieke discussie. In onze seculiere samenleving behoor je een taal en argumenten te gebruiken die voor iedereen, gelovig en ongelovig, is te volgen. Anders plaats je jezelf buiten het debat, of anderen, en dat is nog erger. Het verwijt dat de CU ondemocratisch handelde, omdat deze partij haar christelijke standpunt aan de samenleving wilde opleggen (zo bijv. Etty in NRC), is volledig onjuist. Dat is namelijk precies wat elke partij probeert (eigen standpunten realiseren) en daarin ligt zelfs het bestaansrecht van politieke partijen. Het probleem is anders: het politieke debat in ons seculiere bestel vraagt om zakelijke, inhoudelijke redenering en daaraan voldeed de CU niet. De uitspraak “Dat moet ik van mijn geloof” mag nog zo oprecht zijn, in de publieke ruimte zeg je er in feite niets mee.

De rol van het christendom

Wat is de rol van het christendom in deze ontwikkeling naar democratie geweest? De negatieve kant, de oorlogen, is belicht. Maar er is meer te zeggen?
Denk niet dat de Verlichting in zijn geheel anti-christelijk en anti-kerkelijk was. Dat is wel lange tijd het beeld geweest en voor een land als Frankrijk klopt het ook voor een groot deel. De meeste Verlichtingsfilosofen waren echter christelijk en bleven dat ook, ondanks hun vergaande kritiek op de rol van de christelijke kerken in de politiek.
De scheiding van kerk en staat was niet alleen bedoeld om de samenleving te beschermen tegen bemoeienis van de godsdienst; ze was ook bedoeld om het geloof van de burgers veilig te stellen. Burgers mogen immers voortaan in vrijheid kiezen voor hun geloof, en in vrijheid dat geloof vaarwel zeggen.
Daar heeft het christendom, en dan vooral het protestantisme, een belangrijke bijdrage aan gegeven. De Reformatie van de 16e eeuw benadrukt dat geloof een persoonlijke en vrije gewetenszaak is. Geloof is een zaak tussen God en de mens; daar mag niemand tussen komen, ook de kerk in Rome niet. In dat benadrukken van de individuele vrijheid loopt een lijn van de Verlichting terug naar de Reformatie. En op haar beurt kon de Reformatie zich hiervoor beroepen op de bijbelse traditie.
Dat is de positieve christelijke bijdrage aan het ontstaan van de democratische samenleving.

Islam

Op grond van het voorafgaande is te begrijpen waarom het moslims moeite kan kosten zich aan te passen aan de Westerse democratie. De Islam kent van huis uit niet een dergelijke scheiding van “kerk” (moskee) en staat. Als godsdienst bestrijkt zij alle terreinen van het leven; voor alle aspecten heeft zij de waarheid in huis. Zoals het christendom dat vroeger in Europa deed en soms nog doet.
Die pretentie opgeven, de pretentie dat jouw geloof de waarheid over alle aspecten van het leven kent, kost gelovigen altijd weer grote moeite. Het betekent voor hun gevoel dat ze een wezenlijke dimensie van het geloof opofferen.
Tegelijk geldt echter, dat het opgeven van absolute pretenties de grote voorwaarde is om als godsdienst te kunnen functioneren binnen een seculier, democratisch bestel, zoals we dat in West-Europa kennen.
Er is in ieder geval één belangrijke reden te noemen waarom de Islam die grote verandering waarschijnlijk wel zal maken, of wellicht al bezig is te maken. Net als christenen mogen ook Moslims er erg blij mee zijn dat ze gelovige zijn in een democratisch bestel zoals we dat in Nederland kennen. Niemand kan jou dwingen een bepaald geloof aan te hangen; niemand mag jou vervolgen als je je geloof opgeeft. Dat is een grote winst in termen van menselijkheid, ook voor Moslims.

De normen van de seculiere staat

De moderne, seculiere samenleving dopt dus haar boontjes zonder de inmenging van de godsdienst. Daar worden wel vragen bij gesteld, vooral in kerkelijke kring.
Kan die samenleving dat wel? Waar haalt de samenleving haar normen en waarden vandaan als ze die niet ontvangt van de kerk?

Het antwoord is simpel: ja, de samenleving is in staat haar eigen boontjes te doppen zonder inmenging van kerk en godsdienst. De staat heeft de kerk niet nodig om uit te vinden wat goed en kwaad is in de politiek.
De staat houdt er geen geloof op na, maar dat betekent niet dat de staat zich in een lege ruimte zou bevinden. De staat is seculier, maar niet neutraal. Zij bestaat binnen een culturele traditie waarin normen en waarden liggen opgeslagen. De seculiere staat is er zelf op gebaseerd. Ik noem een paar van die waarden: gewetensvrijheid; rechtvaardigheid; de zwakken beschermen tegenover de sterken; de gelijkheid van mannen en vrouwen, enzovoort.
De seculiere staat is dus allerminst een normloze staat. Integendeel, de seculiere staat is gebaseerd op cruciale morele inzichten, die niemand van ons kwijt wil.

De kerken hebben aan die normen een grote bijdrage geleverd. De kerken hebben weliswaar die normen en waarden niet uitgevonden, maar ze wel eeuwenlang onderwezen en gepredikt. In die zin is het christelijk geloof voor een groot deel opgegaan in de Westerse cultuur.
Ter toelichting: voor de kennis van normen en waarden zijn mensen niet aangewezen op godsdienst (of op de kerken). Het zou betekenen dat mensen zonder godsdienst geen moraal hebben en je kunt dagelijks om je heen zien dat dat niet waar is. In alle culturen ontwikkelen mensen inzichten over wat goed en kwaad is. Ook een seculiere staat kan dus haar normen en waarden zelfstandig vinden, zonder de hulp van een kerk. Voor wat betreft het onderricht in de moraal zijn de kerken echter altijd wel van zeer grote waarde geweest.

En de rol van de kerken?

Hebben de kerken dan nog een rol in onze seculiere samenleving? Geloof als privé-aangelegenheid, is dat niet heel erg weinig?

De kerken kunnen wel degelijk een rol spelen in een seculiere samenleving. Die rol zal echter een stuk bescheidener zijn dan in vroegere tijden. Godsdienst is niet meer de instantie die de waarheid vertelt aan de samenleving. Maar godsdienst (kerk en moskee) kan wel een belangrijke gesprekspartner zijn in het maatschappelijk beraad.

Waarheid in een democratie

Een democratische samenleving vraagt van haar deelnemers bescheidenheid ten aanzien van de eigen overtuigingen.
Niemand is eigenaar van de waarheid in een democratie, maar iedereen mag zijn eigen ‘kleine waarheid’ bijdragen. Dat niemand de waarheid heeft, is niet hetzelfde als relativisme. Relativisme betekent dat er geen waarheid bestaat en dat daarom elke mening evenveel waard is. Dat is in een democratie zeker niet het geval. Gelijkheid van mensen is bijvoorbeeld een onopgeefbare waarde in een democratie.
Democratie vraagt geen relativisme, maar terughoudendheid t.a.v. de waarheid.
De waarheid staat niemand ter beschikking. Dat is het principe. Wellicht bestaat de waarheid, maar niet hier en nu in een concreet geloof of ideologie. Daarom heeft een democratische samenleving een voortdurend beraad nodig over het ware en goede leven. Een open beraad: iedereen mag er aan deelnemen op voet van gelijkwaardigheid.
De kerken hebben dus niet méér autoriteit dan anderen als het gaat om waarden en normen. Ze mogen meedenken en praten, zoals alle anderen.

De katholieke theoloog J. Ratzinger (de huidige paus) laat zien hoezeer de kerk nog vast kan zitten aan haar positie van vroeger, de kerk als kenner van de waarheid. De kerk moet het licht van de waarheid over de samenleving laten schijnen en zo kan zij de samenleving aan moreel besef helpen, aldus Ratzinger in een studie over democratie.
Maar dat is een overschatting van de kerk en een onderschatting van de cultuur waar wij allen toe behoren. De kerk heeft niet het monopolie op normen en waarden.

Democratie vraagt dus dat wij leren leven met een bescheiden waarheid. Wij hebben namelijk geen absolute kennis over wat goed en kwaad is in de samenleving.
Als de kerken die grondhouding leren, dan kunnen ze een belangrijke rol spelen. Kerken hebben een rijke traditie op het gebied van morele reflectie. Dat is en blijft waardevol. Ze kunnen een plaats van moreel beraad zijn. Dus niet als verstrekker van het licht aan een wereld in het duister, maar als plek van debat en bezinning kan de kerk een rol vervullen.

Democratie heeft geloof nodig.

Dat debat is van levensbelang voor een democratische samenleving. Gesprek en discussie is namelijk de weg waarlangs wij af en toe kleine beetjes inzicht kunnen vinden. En die kleine waarheden zijn van onschatbare waarde voor de samenleving. Want daarmee richten wij de samenleving in. Dat is het geloof dat de democratie nodig heeft. Niet geloof in het absolute, in de Waarheid, maar geloof in een klein beetje waarheid. Niet geloof in een paradijs, maar in deze concrete wereld.

Voor de godsdiensten en voor gelovigen is dat een blijvende uitdaging: Leren leven met een bescheiden waarheid.