3 oktober 2007
Onder aan de Maasdijk, vlak bij het Brabantse dorpje Megen, staat een klein kapelletje. Boven de deur van de kapel staan de volgende woorden geschreven:
Langs deze weg zet genen voet
of zeg “Maria wees gegroet”
Het is altijd stil rond en in het kapelletje. Auto's komen er haast niet. De weinige voorbijgangers zijn wandelaars en fietsers die genieten van het prachtige landschap rond de Maas: de uiterwaarden, de dorpjes aan de dijk en natuurlijk de rivier zelf, met aan weerszijden machtige eiken. In de kapel kun je een moment van rust doorbrengen, een kaarsje branden of knielen op een van de bankjes. In welk seizoen en op welke dag je er ook komt, altijd branden er kaarsen. Altijd zijn er kort geleden nog andere mensen geweest die daar een moment hebben doorgebracht.
Bidden, mediteren, uitrusten, daar nodigt de plek toe uit.
Voor mij was het kapelletje een pleisterplaats om een boterham te eten, toen ik terugkwam van een lange fietstocht. Ik had weinig oog voor de spreuk over Maria. Het enige wat ik wilde was even bijkomen, wat eten en drinken en dan weer verder. In de kapel trof ik twee vrouwen. Ze waren sportief gekleed en droegen stevige stappers. Ik schatte dat ze zo rond de 70 jaar waren. Stoere dames die kennelijk bezig waren met een flinke wandeltocht. Ik groette hen en ging zitten op een bankje in de kapel.
We raakten al gauw in gesprek en ze vertelden mij dat zij samen regelmatig grote wandeltochten maakten.
“Pelgrimages,” zei een van hen.
Toen ik vragend keek, legde ze uit: “We wandelen niet zomaar. In alles wat wij onderweg zien en tegenkomen ervaren wij de aanwezigheid van God. We wandelen om bij de bron van ons leven te komen.”
Ik luisterde en knikte.
“Alles wat wij zien en meemaken is een reden om God te prijzen en te danken,” voegde de ander er aan toe.
“Hebt u Maria al gegroet?” vroeg een van hen mij na een paar momenten stilte.
Ik keek haar even verbaasd aan en zei toen lachend: “Ik wilde eerst even een boterham eten. Misschien straks als ik wegga.”
“Het is goed om te doen,” zei ze ernstig. “Anders kun je niet op een goede manier verder.”
“Vertel eens,” nodigde ik haar uit.
“Je kunt grote afstanden afleggen, te voet of, zoals u, op de fiets. Maar wat schiet je er mee op als je niet weet waarom je het doet en waar je naar op zoek bent. Mensen zijn voortdurend in beweging, van hot naar her. Ons leven is vol van ongedurigheid. We denken maar heel weinig na over waar we heen gaan en waar we heen zouden moeten.”
“En daar kan Maria bij helpen?” vroeg ik.
“Jazeker. Je kunt Maria alleen maar groeten als je haar tegenkomt. En om haar tegen te komen, moet je haar pad kruisen. Jouw weg moet samenvallen met haar weg, al is het maar even.”
De woorden over Maria boven de ingang van de kapel had ik eerlijk gezegd alleen maar gezien als een uiting van formele, katholieke vroomheid. Een serieuze betekenis had ik er niet aan gegeven. Maar ik had beter moeten weten. Er hing een sfeer van echte vroomheid rond en in het kapelletje. Het was goed verzorgd, de kaarsen brandden, het was stil en aangenaam achter de glas-in-lood ramen. Het ging dus terdege wel om meer, en dat lieten deze vrouwen merken. Voor hen was het echte vroomheid. Als je hier naar binnen ging, halverwege je tocht, dan werd je daarmee uitgenodigd na te denken over jezelf en over de richting waarin je op weg was.
Maria ontmoeten, een stuk met haar optrekken, zo dat je haar als het ware kon groeten. Dat was wat de twee vrouwen deden met hun pelgrimages. Onderweg zijn, wandelend of fietsend, en dan daarin God zelf ontmoeten. Hoe ging dat?
De oudste van de twee vrouwen voelde kennelijk mijn gedachten aan.
“Kent u het Magnificat?” vroeg ze.
Ik knikte.
“Mijn ziel prijst en looft de Heer,” zei ze. Ze keek me aan: “Als je dat kunt zeggen, zit je op dezelfde weg als Maria en kun je haar dus tegenkomen. Je hebt dan alle reden om haar te groeten, want zij helpt je hetzelfde te ervaren als zij. Dankbaarheid voor het leven en alles wat je om je heen ziet.”
Ik begreep wat zij bedoelde. Mensen die God danken zitten op hetzelfde spoor, het spoor van Maria. Even later stonden de twee vrouwen op en vervolgden hun voettocht. We namen met een groet afscheid.
Toen ik zelf vertrok, bleef ik even staan op de drempel van de kapel. Ik keek naar boven, waar die woorden staan, en zei: “Maria, wees gegroet!”
Op 28 september 2007 verschenen in Centraal Weekblad.