Henk Vijver

<< terug

“Nooit heb ik niets met U”

17 augustus 2010

De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heren zij geprezen.

Lezingen:
Job 1, 1 - 2, 10

Soms zie je deze tekst staan in een rouwadvertentie. En dat kan heel verschillende gevoelens bij ons oproepen: bij de één misschien lichte irritatie om zoveel vroomheid en berusting tegenover het leed dat een mens overkomt, bij een ander juist bewondering om zoveel vertrouwen.

Deel 1 in serie van
preken over Job.

Het is Job die deze woorden uitspreekt, nadat hij is getroffen door meerdere rampen. Mensen hebben altijd heel verschillend gereageerd op de figuur van Job. Voor de één is hij voorbeeld van geduld (zoals de brief van Jacobus in het NT), voor de ander is hij juist een voorbeeld van verzet tegen het blinde lot; opstandigheid tegenover een God die zo ver weg is en in wiens handen de mens zich soms niet meer dan een speelbal voelt.

Het leven lijkt Job aanvankelijk alleen maar toe te lachen. Job is rechtschapen en onberispelijk, en hij gelooft in God. Hij heeft zeven zonen en drie dochters en talrijke bezittingen. Een gezegend mens dus. Zo ziet hij het zelf en zo ziet iedereen dat: God is met Job. En dat moet wel te maken hebben met de vroomheid en de goedheid van Job. Want zo staat het toch in de bijbel: houd je aan de geboden van God, dan zal het goed met je gaan. Aan Job kun je zien dat God zich aan zijn woord houdt. Hij zegent de vromen.

‘Geen kunst,’ zegt Satan op een dag als de bewoners van de hemel weer eens bij elkaar komen. ‘Geen kunst dat Job zo vroom is,’ zegt Satan, ‘het gaat hem immers voor de wind. Dan kun je elke dag wel zingen: want God is overstelpend goed, die mij in vrede leven doet. Een gratis liedje voor mensen die aan niets gebrek hebben. Maar wat, als Job al die zegeningen zou moeten missen?’
En dan volgt die weddenschap tussen God en Satan: ‘je mag alles met Job doen wat je wilt,’ zegt God, ‘dan zullen we eens zien of hij blijft geloven.’
Schrik niet teveel van die rare scène van de hemelbewoners en ook niet van de gekke weddenschap tussen God en Satan. Het is een verhaal. De verteller bedenkt dat, hij heeft het nodig om zijn vraag zo scherp mogelijk aan ons, de lezers, voor te leggen. Zodat niemand eronderuit kan. Die vraag luidt: waarom geloven mensen eigenlijk in God? Wat betekent God voor de mens? En daarvoor heeft hij iemand nodig die lijnrecht tegenover God gaat staan: Satan dus.

‘Volgens mij,’ zegt Satan, ‘is het geloof uiteindelijk niets anders dan platvloers eigenbelang, een mooi verpakte vorm van egoïsme. Mensen kunnen heel vroom zijn, maar ze doen het alleen maar om er zelf beter van te worden. Maak je geen illusies, God, als je al die tempels, kerken en moskeeën ziet. Je zou kunnen denken: “wat een geloof is er toch op aarde”, maar vergis je niet: het gaat niet om jou. Er is niemand die in jou gelooft alleen uit pure liefde voor jou. Gewoon, omdat jij bent die je bent. Maak je zelf niets wijs.
‘Zo gaat het toch ook tussen mensen onderling? Mensen zeggen dat ze elkaars vrienden zijn, of dat ze van elkaar houden. Maar wat mensen liefde noemen, is een mooi likje verf waarmee ze hun egoïsme bedekken.’

Een ongenadige cynicus, die Satan. Echt geloof, oprechte liefde, het bestaat niet.
Maar hoe zit het dan, kun je zeggen. Mensen zetten zich toch in voor goede dingen, ze geven geld aan goede doelen, en ze komen heel vaak voor elkaar op. Dat is toch liefde, dat is toch geloof?
‘Laat me niet lachen,’ zegt Satan. ‘Mensen doen aan naastenliefde om hun geweten te sussen, of om zelf in het middelpunt te staan. Kijk maar uit als mensen over liefde of geloof beginnen. Dan willen ze iets van je.’

En het geloof in God? ‘Precies hetzelfde,’ zegt Satan. ‘Mensen geloven omdat ze denken er beter van te worden. Het geloof geeft je houvast, geeft je de zekerheid dat jij bij de uitverkorenen hoort, of dat je in de hemel komt, het geeft je zekerheden en waarheden die andere mensen niet hebben; het maakt jou een gezegend mens.’

Maar wat als je dat alles weglaat, alles wat een mens kan bezitten? Als je nou eens afstand zou doen van al die waarheden die mensen in de loop van de tijd over God hebben bedacht. Of als je leven ondersteboven wordt gekeerd door de een of andere ramp. Wat blijft er over van jou als mens en van jouw geloof als alles wat je dierbaar is — je baan, je toekomstplannen, je gezondheid, je kinderen, je leven — jou wordt ontnomen.

God staat voor Job in. De Satan mag zijn gang gaan. God gelooft dus in de mens. God is ervan overtuigd dat de mens aan liefde en geloof kan doen. Niet om er zelf meteen beter van te worden, maar omdat liefde en geloof iets is waar je als mens niet zonder wilt. Ook al weet je nog niet wat je ervoor terug krijgt.
De vraag is natuurlijk: zal de mens in God geloven zoals God in de mens gelooft? Job — wij — staat op het spel in die weddenschap. Maar God zelf staat ook op het spel. Hij nog 't meest. Want als wij alleen maar in God geloven om daar beter van te worden, dan is God niet meer dan een gebruiksartikel voor ons. Handig, zo'n God: hij helpt je om te scoren op het voetbalveld en in de maatschappij. Maar zo'n nuttige God gaat uiteindelijk de weg van alle gebruiksartikelen en die eindigt op de rommelzolder.

Dan komen de rampen. Job verliest alles wat hij heeft: zijn kinderen, zijn geestelijke en materiële rijkdom. Slag na slag treft hem. Hoe reageert Job? Aanvankelijk bijna onherkenbaar, zo geduldig en berustend.
‘De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heren zij geprezen’. Misschien is het mooi, maar het komt wel erg snel. En daar blijft het niet bij. Job heeft ook nog een vrouw, ook al speelt zij maar een heel kleine rol in het verhaal. ‘Waarom blijf je zo onberispelijk Job,’ roept zijn vrouw. ‘Zeg God vaarwel en sterf. Wat heb je aan zo'n miserabel leven. Waarom zou je zo poeslief blijven tegenover de God die jou dit alles aandoet! Laat zien dat je karakter hebt!’

Men heeft vaak gezegd dat mevrouw Job eigenlijk een verlengstuk van de duivel is, omdat zij Job van zijn geloof probeert af te brengen. Maar zo simpel ligt het niet, denk ik. Dankzij zijn vrouw komt Job namelijk in opstand. En begint hij te protesteren tegen de God die hem dit allemaal aandoet. Alles wat Job hierna zal zeggen, is één groot gevecht met God.
‘Waarom gebeurt al deze ellende, God?! Wie ben jij? Geef antwoord!’ Hij roept God ter verantwoording, hij verwenst God, hij vervloekt zijn eigen geboortedag.

Maar precies dat, dat gevecht en die opstandigheid, maakt Job tot een voorbeeld voor elke gelovige. Hij legt zich niet neer bij de raadselachtigheid van het leven, hij weigert het zwijgen van God te aanvaarden. Hij blijft vechten met God om met Hem in contact te komen.

Huub Oosterhuis heeft in een gedicht het protest van Job prachtig verwoord:

Ik zal mijn mond niet houden tegen U.
Opstandig vreemd hard is mijn hart in mij.

Wie zijt Gij dat ik U belangrijk vind,
dat ik U denk, dat ik mij toets aan U?

Nooit zijt Gij niet, nooit heb ik niets met U.
Mijn ziekte zijt Gij…

Mijn ziekte zijt Gij — dat is nog eens wat anders dan de Heer is mijn Herder. Ik kan niet zonder U, maar ik kan ook niet met U. Want ik begrijp U niet. God, wie bent U en waar bent U.

Nooit heb ik niets met U.
Is dat misschien de kern van het geloof? Dat een mens God blijft zoeken, ook al begrijp je niets van je eigen leven en van de wereld om je heen.
Job zal God vinden, aan het eind van het verhaal. Dus het is de moeite waard om met deze Job verder te gaan. Maar wij zijn gewaarschuwd: Job zal God niet zomaar ontmoeten. Pas nadat hij heel veel van zichzelf heeft losgelaten, zijn eigen vroomheid en zijn eigen gedachten over God; dat alles moet hij kwijt. Want God blijkt heel anders te zijn dan de mensen denken.
Wie dat aandurft, kan in het spoor van Job misschien dezelfde ontdekking doen.

Ik zal

Ik zal mijn mond niet houden tegen U.
Opstandig vreemd hard is mijn hart in mij.

Wie zijt Gij dat ik U belangrijk vind,
dat ik U denk, dat ik mij toets aan U?

Nooit zijt Gij niet, nooit heb ik niets met U.
Mijn lot is levenslang uw komst verwachten.

Mijn ziekte zijt Gij - dode zelfbedachte
onzichtbare geliefde. Maar ik kan niet

niet om U roepen. Want ik kan niet anders
dan roepen: Heb mij lief.

H. Oosterhuis, Gezongen Liedboek, Ten Have Baarn, 2003, p. 321

Deel 1 uit een serie van preken over Job.