17 augustus 2010
Ze beginnen goed, de drie vrienden die Job in zijn ellende bezoeken. Elifaz, Bildad en Sofar. Samen gaan ze naar Job toe om hun medeleven te tonen en hem te troosten. Zeven dagen en zeven nachten blijven ze naast Job op de grond zitten zonder iets tegen hem te zeggen, want ze zien hoe vreselijk hij lijdt.
Lezingen:
Job 4: 1-9,
Job 6: 24-30
Ze doen wat je het beste kunt doen als je bij iemand komt die het erg moeilijk heeft. Ida Gerhardt heeft er ooit een kort, intens gedicht over geschreven, getiteld Ziekenbezoek:
Wanneer een mens door pijn getatoeëerd,
afwerensmoe zich op de zijde keert,
het zweet nog tracht te wissen met het laken:
wellicht, wellicht — dat ge eindelijk zwijgen leert.
Deel 2 in serie van
preken over Job.
Leren zwijgen, als je oog in oog staat met andermans ellende. Misschien wel het moeilijkste wat er is. Meestal hebben wij wel een verhaal klaar over wat wij zelf hebben meegemaakt of over iemand uit onze familie die precies dezelfde ziekte heeft gehad, en toen
De vrienden van Job weten wat zwijgen is en daarin tonen ze zich echte vrienden.
Maar daarna, als ze beginnen te praten, gaat het behoorlijk mis. De gesprekken die zij voeren met Job worden steeds feller. Job en zijn vrienden verstaan elkaar niet meer. Ze praten volstrekt langs elkaar heen. En aan het eind van het verhaal is het God zelf die de vrienden vermaant: ‘Ik ben in woede ontstoken tegen jullie,’ zegt God, ‘omdat jullie niet juist over mij hebben gesproken, zoals mijn dienaar Job.’
De vrienden hebben dus niet goed gesproken. En toch zou je dat niet zeggen, als je leest wat zij zeggen. Als je eerlijk bent zul je hen zelfs heel vaak gelijk moeten geven. Wat zij zeggen, staat vaak letterlijk zo in de psalmen. Het lijkt allemaal waar, wat ze zeggen.
Luister maar naar Elifaz, de eerste van de vrienden die het woord neemt. Hij probeert Job moed in te spreken.
‘Job, je kunt toch vertrouwen hebben, je gelooft immers in God! En je hebt altijd onberispelijk geleefd. Heb geduld, want het zal weer goed komen met je. En bedenk wel: wie is er ooit onschuldig omgekomen? (4,7) Het zijn de slechteriken die door God gestraft worden. Lees de psalmen er nog maar eens goed op na, Job.’
Dan gaat hij een stap verder: ‘Bedenk dat geen mens op deze wereld zonder zonde is. Jij ook niet. Het kwaad wordt door de mens zelf veroorzaakt. Wees dus niet zo opstandig, Job. Het kwaad gebeurt niet zomaar. God heeft er een bedoeling mee. Beken je schuld.
Gelukkig de mens die door God wordt getuchtigd. Wijs de straf van God niet af.’
Maar Job accepteert al die vrome woorden niet, want hij vindt zichzelf onschuldig. Ik ben geen goddeloze en geen slechterik. Natuurlijk, geen mens is zonder zonde, maar het kwaad dat mij overkomt staat in geen verhouding tot mijn leven. ‘God teistert mij als een stormwind, zonder reden brengt hij mij steeds nieuwe wonden toe’ (10,17). Zonder reden, zegt Job. God is willekeur. Niemand kan toch beweren dat ik al deze ellende verdiend heb?
De derde vriend, Sofar, ergert zich aan Job. ‘Hou toch op met je gezwets!’ roept hij. Voor de vrienden van Job is het glashelder. God straft de mens als hij kwaad doet, God zegent de mens als hij goed is. Het is een duidelijke theologie over het lijden van de mensen-in-het-algemeen. Een mens moet aanvaarden wat over hem komt. Het is Gods wil; wie denk jij dat je bent om vraagtekens te zetten bij het beleid van God? Benut het leed dat je overkomt op een goede manier door je leven te beteren.
Maar Job is niet de mens-in-het-algemeen. Job heeft te maken met zijn eigen lijden. En hij begrijpt niet waarom God juist hem zo laat lijden. Hoe kan God dat doen? Waarom? Waarom ik? Daarom kan Job niets met de redenering van zijn vrienden. De vrienden hebben een theologische verklaring voor het lijden van de mensen, maar ze hebben geen oog voor het lijden van deze concrete mens hier direct voor hen: hun vriend Job. Wat Job in zijn lijden nodig heeft is niet een theologische redenering over het lijden-in-het-algemeen. Het enige wat Job nodig heeft, is medeleven, zoals de vrienden dat in het begin lieten zien, toen ze nog zwegen.
‘Wie een vriend medelijden onthoudt, die toont geen eerbied voor de Almachtige God,’ (6,14) zegt Job verwijtend tegen zijn vrienden. Dat is de kern. De theologie van de vrienden mag correct zijn volgens het geloof van toen; de vrienden mogen heel orthodox en recht in de leer zijn. Maar het allerbelangrijkste ontbreekt: compassie, medeleven met Job. En daar breekt hun zuivere leer volledig op stuk.
Dat is een les die er niet om liegt. Je kunt nog zo gelovig zijn, als jouw woorden niet in het teken staan van compassie met de mensen, dan heeft het geen waarde. Compassie, medeleven, het is de maatstaf voor ons geloof. Waarheid zonder barmhartigheid is hard en meedogenloos en wordt daardoor een leugen. Want ‘wie de mensen zijn medeleven onthoudt, kent God niet’.
Nogmaals: een les die er niet om liegt. Gelovigen hebben in de loop van de tijd heel veel gezegd over God. Vrome en mooie woorden. Het probleem is dat gelovigen niet altijd het verschil zien tussen wat zij zeggen over God en wat God zelf is. Gelovigen kunnen hun eigen geloofsleer zo mooi gaan vinden dat ze in die geloofsleer gaan geloven. Ze verwarren hun leer met God. En dat is dramatisch.
Het is wat de vrienden doen. Wat zij zeggen is volgens hen zelf woord van God, waarheid, en daarom is het voor hen onbegrijpelijk dat Job zich daar zo tegen blijft verzetten. Vriend Sofar zegt het zo ook tegen Job: ‘ik wou dat God zelf eens tegen jou sprak’ (11,5) en je hoort hem denken: ‘want God zou precies hetzelfde zeggen als ik’.
En ook vriend Elifaz zegt het: ‘ik zeg niet zomaar iets; het komt van God wat ik zeg; ik heb een visioen gehad; het is mij onthuld’ (4,12vv.).
Zoals de vrienden met Job omgaan, vol verwijt en veroordelend, zo gedragen gelovigen — christenen en anderen — zich ook vaak jegens elkaar. Wat ik zeg, dat is toch de waarheid, zo staat het toch in de bijbel, het is toch openbaring! Hoe kun jij daar nu aan twijfelen? Waarom wil je niet geloven wat ik zeg?
Maar waarheid staat niet op zichzelf. Absolute waarheid bestaat niet eens; niet in geloof, niet in de wetenschap. Waarheid ontstaat als mensen met elkaar meeleven, als zij elkaar compassie tonen. Daarom: je kunt veel vrome dingen zeggen over God, maar als je de concrete mens vlak voor je niet ziet, dan dienen jouw vrome en ware woorden nergens voor; dan slaat waarheid om in een leugen.
‘Er is teveel van mij gemaakt wat ik helemaal niet ben,’ zegt God in het lied van zanger Stef Bos.
Wij hebben van alles van God gemaakt. Wij, de mensen: christenen en aanhangers van andere godsdiensten. Wat hebben we veel van God gemaakt. Maar al ons geloof en al onze opvattingen breken stuk als ze niet voortkomen uit liefde voor de mens. Het is het grote gevaar, en is het altijd geweest, voor alle gelovigen. Dat wij onze waarheid belangrijker vinden dan de mensen om ons heen.
Het is het probleem van de vrienden: hun waarheid heeft ergens onderweg de liefde verloren.
God is pure compassie en daarom is Hij altijd weer anders dan wij denken.
Ik ben de wolken en de wind
Het vuur dat eeuwig brandt
Ik ben de stroming
De zee
Ik ben het grenzeloze land
Onvoorspelbaar
Ik ben niet wat je denkt
Stef Bos, Lied van God, van de CD “In een ander licht” (volledige tekst op stefbos.nl)
Deel 2 uit een serie van preken over Job.