Henk Vijver

<< terug

Waar is God?

14 december 2007

Veel mensen zullen de huidige tijd beleven als verwarrend, en dan vooral in godsdienstig opzicht. Je leest en je hoort over een grote opbloei van alles wat te maken heeft met spiritualiteit en religie. Je komt in je eigen kerk af en toe mensen tegen die weer terug zijn na jaren te zijn weggeweest. Ze vinden het fijn weer deel uit te maken van een gemeenschap en ze genieten van de vrijheid die er tegenwoordig in de kerken bestaat. Maar tegelijk verneem je dat landelijk de teruggang van de kerken door gaat. Je leest over soloreligieuzen, mensen die het geloof helemaal op eigen houtje beleven en vormgeven. En je leest in de krant over een predikant, ds. Klaas Hendrikse, die wel in God gelooft, maar er in één adem aan toevoegt dat God niet bestaat.

Zoals een hinde smacht
naar stromend water,
zo smacht mijn ziel
naar u, o God.

Mijn ziel dorst naar God,
naar de levende God,
wanneer mag ik nader komen
en Gods gelaat aanschouwen?

Tranen zijn mijn brood,
bij dag en bij nacht,
want heel de dag hoor ik zeggen:
‘Waar is dan je God?’

Wie zich met geloof en spiritualiteit bezighoudt, bedrijft geen afstandelijke studie. Binnen de kortste keren rijst namelijk de vraag: waar is God in dit alles? In psalm 42 zijn het de anderen die de dichter deze vraag voor de voeten werpen: waar is jouw God? Maar je hebt die anderen er niet eens voor nodig. Aan ieder die zich wel eens met geloof bezig houdt, dringt de vraag zich onstuitbaar op: waar kom ik God tegen in heel die verwarrende wereld van geloof en spiritualiteit? Is er onder ons iets te merken van Gods aanwezigheid? Is onze kerk een vindplaats van God voor mensen die hem zoeken?

Wat zijn de veranderingen die zich hebben voorgedaan op het erf van geloof en kerk? Het is heel veel. Maar je kunt het terugbrengen tot één beslissende factor: het individu heeft in onze tijd de vrijheid genomen zelf uit te maken wat hij gelooft en hoe hij leeft. Hij heeft zich losgemaakt van allerlei banden, de banden van kerk en traditie. De ontkluistering van het individu, heeft iemand het genoemd (Kuitert). Geloven-op-gezag-van-anderen heeft plaats gemaakt voor geloven-alleen-op-gezag-van-je-zelf.

Er is veel reden om dat te zien als grote winst. Met die erkenning moet je beginnen. In de protestantse traditie is altijd benadrukt dat de mens als persoon voor God staat en dat je die relatie niet kunt afwentelen op de kerk of de geestelijken. Geloof is allereerst een persoonlijke keuze en dat gegeven krijgt vandaag gelukkig alle ruimte. Dat merk je zowel binnen als buiten de kerk. De aandacht voor ons ‘zelf’, het eigen ‘ik’, en de eigen ‘authenticiteit’, scoort hoog in de huidige samenleving. Onze persoonlijke gevoelens en beleving hebben de plaats ingenomen die vroeger toekwam aan de kerkelijke geloofsleer. Dat mag een verandering heten!

Geloven op gezag van anderen kan in feite niet. Het heeft veel mensen ook kwaad gedaan. Wie het vergeten is, kan het nalezen in de romans van Jan Siebelink. Maar hoe zit het met individualistisch geloof; heeft dat ook zwakke kanten? Het past bij de huidige cultuur, maar daar, in de samenleving worden ook de beperkingen zichtbaar van het individualisme. Onze samenleving wordt niet voor niets een risicosamenleving genoemd. Afgelopen zomer las ik in Trouw over een jongen, amper in de twintig, een begaafd student. Hij zou kunnen worden wat hij maar wilde. Maar hij kon het leven niet aan. Na zijn dood vond men brieven van hem waaruit de angst sprak voor een wereld die torenhoge eisen stelt aan jonge mensen, een omgeving die enorme verwachtingen koestert. Je moet van alles. Je moet de goede studie kiezen, een carrière beginnen, een mooi huis kopen, netwerken opbouwen, succesvol zijn. Je moet slagen in het leven want alles is immers eigen keuze en geluk is maakbaar; dus als je het niet haalt dan heb jij zelf de verkeerde keuzen gemaakt. Een angstaanjagende situatie.

We zijn in een paradoxale situatie verzeild geraakt: om volop onze individuele vrijheid te realiseren, hebben wij ons losgemaakt van de instanties die ons vroeger de weg konden wijzen. We moeten en willen het allemaal zelf doen. Maar is er ook iemand die ons kan leren individu te zijn?

Wij kunnen niet wat wij steeds weer zeggen en denken te willen. Dat zou wel eens het probleem van deze tijd kunnen zijn en veel kunnen verklaren van de ontwikkelingen op spiritueel gebied. Het individu, dat zich heeft vrij gemaakt van allerlei verbanden (traditie, kerk), staat er alleen voor; maar alleen krijgt hij het niet voor elkaar en dus zoekt hij weer steun in allerlei vormen van spiritualiteit die hem moeten helpen als mens te groeien.

Het lijkt er op dat wij ‘onderweg’ iets zijn kwijt geraakt wat van huis uit in het christelijk geloof van grote betekenis is. Het besef dat de mens juist niet zichzelf en het eigen leven hoeft te maken, ook niet kan maken, maar het geschonken krijgt uit de hand van God. Luister nog eens naar de woorden die als een refrein klinken in het gedicht van psalm 42 / 43:

Wat ben je bedroefd, mijn ziel,
en onrustig in mij.
Vestig je hoop op God,
eens zal ik hem weer loven,
mijn God die mij ziet en redt.

Mijn God die mij ziet en redt

Die laatste regel, daar gaat het om: mijn God die mij ziet en mij redt. De dichter begint niet bij zichzelf, bij de mensen, maar bij God. Wij kunnen God niet zien en wij kunnen Hem (zijn bestaan!) ook niet redden. Over God kunnen wij niet meer zeggen dan wat ds. Hendrikse zegt: ik geloof in God, maar Hij bestaat niet binnen mijn denken en voelen. Mijn menselijke wereldje is te klein om God te kunnen bevatten. God gaat daar ver boven uit. Hij bestaat niet aan deze kant van mijn horizon. Ik ervaar vooral een leegte, een afwezigheid. God is een verborgen God. Dat is een oud inzicht in de christelijke traditie, al bij Augustinus te vinden. Ik ken God slechts als een verlangen, als pijnlijk gemis. Wij kunnen soms een glimp van God ervaren op het moment dat wij ons losgemaakt weten van ons eigen bestaan, opgeheven boven eigen denken, kennen en voelen.

En wat doet de dichter van psalm 42 dus? Hij draait het om. Niet: ik zie God; alsof God pas zou bestaan als wij Hem zien. Alsof wij zouden kunnen zeggen wie God is en hoe Hij bestaat. Alsof God zou passen binnen onze menselijke taal. Het omgekeerde geldt: God ziet mij en dat is mijn redding. Daardoor besta ik.

Dat is een cruciaal inzicht uit onze geloofstraditie. God als initiatiefnemer die ons bestaan mogelijk maakt. En dat is een inzicht dat haaks staat op onze tegenwoordige cultuur en levensvisie, waarin immers het individu zichzelf maakt en het individu ook zijn eigen maatstaf is geworden. Het is ook de betekenis van de bekende woorden van Jezus:

“Wie probeert zijn leven veilig te stellen zal het verliezen, maar wie het verliest zal het behouden” (Lucas 17, 33).

Als je blijft denken en redeneren vanuit je zelf, dan houd je niets over. Dan kun je alleen maar concluderen: wat een ijzige leegte is de wereld, is mijn leven. Pas als je in staat bent jezelf weg te denken, jezelf met al je zekerheden en je dierbaarheden door te strepen, pas dan ontstaat er een ruimte die door God in beslag kan worden genomen. Mijn God die mij ziet en redt.

Wat zegt dit alles over de kerk en haar rol in de wereld van vandaag?

De christelijke traditie heeft altijd benadrukt dat een mens het eigen leven en de eigen redding niet zelf hoeft te maken, ook niet kan maken, maar dat het hem gegeven wordt. Dat is een diepgaand godsdienstig besef en je mag er op vertrouwen dat het de huidige tijd van individualisme en menselijke zelfoverschatting zal overleven. Mensen zullen er op terug komen.

Want wij, de mensen van deze tijd, zullen vroeg of laat weer met onze eigen beperkingen worden geconfronteerd. We zullen opnieuw ontdekken dat leven en geluk ons gegeven worden. Een kind dat geboren wordt, een gedicht dat uit jouw hart tevoorschijn komt, de vriendschap die je met een ander beleeft, een spiritueel moment in de natuur. Het zijn de dingen waarvan ook tegenwoordige mensen kunnen aanvoelen dat je ze zelf niet kunt maken. Juist het hoogste en het mooiste in het leven is iets dat je niet kunt managen; het valt je toe. Zo zullen mensen misschien ook opnieuw het belang van een warme, menselijke gemeenschap ontdekken. Je kunt er uiteindelijk niet zonder.

Een van de belangrijkste Nederlandse onderzoekers op het gebied van spiritualiteit en godsdienst (A. van Harskamp), raadt de kerken dan ook aan een houding van geduldig wachten aan te leren. Wachten. En ondertussen blijven doen waarvoor de kerk er is. Onze taak is het oude verhaal door te vertellen, het te vieren en er met elkaar over na te denken. Dat verhaal staat haaks op onze eigen wereld maar juist daardoor kan het redding betekenen voor de mensen van alle tijden.

Jezus heeft het in één zin samengevat:

Jullie hebben niet mij uitgekozen, maar ik jullie (Joh 15, 16).

Deze lezing heb ik in december 2007 gehouden in de Paaskerk te Oss.