6 december 2007
Van de wijze koning Salomo wordt in de bijbel verteld dat hij honderden spreuken en liederen dichtte. Waarover gingen die gedichten? “Over allerlei soorten planten, van de ceder op de Libanon tot de majoraan die uit de muur groeit, en over de lopende dieren, de vogels, de kruipende dieren en de vissen (1 Kon 5: 13)”.
Misschien verwacht je van een groot dichter andere onderwerpen. Over leven en sterven, over de liefde, de waarheid, over God en het goede. Maar Salomo hield het eenvoudig. Zijn gedichten gaan heel gewoon over dat wat een mens om zich heen ziet: de bloemen, de bomen en dieren. Daar weet Salomo kennelijk volop van te genieten.
Ik las een verhaal over een beeldhouwer. Hij had een indrukwekkend beeld gemaakt, maar ontkende dat hij het zelf had geschapen. Het beeld was uit de aarde omhoog gekomen, zomaar, uit zichzelf. Hij, als kunstenaar, had niet meer hoeven doen dan er nog wat bijkomend handwerk aan verrichten. Maar het beeld zelf, dat majestueuze prachtige beeld, dat was niet uit zijn handen voortgekomen. De aarde had het geschonken.
Zo, op die manier, moet ook Salomo de wereld hebben beleefd. De aarde geeft de mens de mooiste dingen. Het enige wat de mens moet doen, is die schoonheid in ontvangst nemen en er voor zorgen. Zoals die beeldhouwer. Iedereen had gezien dat hij lange tijd aan zijn beeld had gewerkt. Maar hij zelf ervoer het als iets dat hem was toevertrouwd. En daarom wijdde hij zich aan dat beeld met al zijn vermogens.
Zo de aarde te ervaren, als een kunstwerk dat ons gegeven is. De wereld beluisteren als een lied dat voor ons klinkt en waarvan wij, als Salomo, alleen nog maar de tekst hoeven op te schrijven. Dat is scheppingsgeloof. Vanuit de wereld om je heen, komt er een schat aan pure schoonheid op je af.
Jezus vertelt er een heel kleine gelijkenis over:
Het is met het koninkrijk van de hemel als met een schat die verborgen lag in een akker. Iemand vond hem en verborg hem opnieuw, en in zijn vreugde besloot hij alles te verkopen wat hij had en die akker te kopen.
Gods aanwezigheid in de wereld is een schat die in de aarde verborgen is. Je moet er naar zoeken, maar als je dat doet, kun je hem vinden. De wereld waarover je dagelijks de ergste dingen leest, is tegelijk de ruimte waarin schatten zijn verborgen. Je hoeft de wereld niet alleen te bezien vanuit de berichtgeving over het vele kwaad. Leer de wereld vooral ook anders te bezien. Vanuit dat verhaal over een koninkrijk dat op een verborgen wijze in die zelfde wereld bestaat.
Geloven dat er schoonheid en goedheid in de aarde liggen verboren, maakt dat een mens is opgewassen tegen de dubbelzinnigheid van het leven. De aarde waarin wij onze doden begraven is ook de aarde die ons een schat aan goede en mooie dingen biedt. De wereld die ons zoveel redenen tot verdriet geeft, is tegelijk de wereld die we kunnen bezingen als het kunstwerk van Gods handen.
Ik stel me Salomo voor zoals ik me Guido Gezelle voorstel. Zittend aan een sloot eindeloos genieten van de diertjes en planten in het water. Salomo had ‘Het schrijverke’ kunnen dichten. Want in de woorden van ‘Het schrijverke’ valt zijn wijsheid te beluisteren:
Wij schrijven, zo sprak het, al krinklend af
hetgeen onze Meester, weleer,
ons makend en lerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
de heilige name van God!
(Guido Gezelle, Aleer het licht ten avond raakt. Een keuze uit zijn religieuze poëzie. Uitg. De Groot Goudriaan, Kampen, 1996.)