Henk Vijver

<< terug

Zoek geraakt

13 november 2007

Na de Tweede Wereldoorlog hadden zij beiden, man en vrouw, een aantal jaren gevangen gezeten vanwege hun betrokkenheid bij de NSB. Eenmaal vrij, begin jaren vijftig, zagen ze zich gedwongen te emigreren. In Nederland was voor hen geen plaats meer. Ze vertrokken naar Argentinië. Zelden kwam ik zulke verloren en trieste mensen tegen.

Buenos Aires, Casa Rosada.

Ik leerde hen kennen toen ik in 1983 voor een paar dagen op bezoek was in een stad in het zuiden van Argentinië. Een stad van immigranten waar je naast veel mensen van Italiaanse en Deense afkomst ook velen treft met een Nederlandse achtergrond. De door de Nederlanders gestichte hervormde kerk (Iglesia Reformada) staat eenvoudig bekend als de ‘kerk van de Nederlanders’. Er zijn nog echte Hollandse achternamen in omloop, zoals Millenaar, Verkuijl, Van Strien en Oudekerk. Niet uit te spreken voor Spaanstalige Argentijnen.

“Zou je eens bij dat echtpaar op bezoek willen,” vroeg iemand van de kerk mij. “Ze zullen het vast plezierig vinden eens te kunnen praten met iemand die recent nog in Nederland is geweest.” Verder werd er niets verteld. Pas veel later hoorde ik hun geschiedenis.

Ze waren al goed in de zeventig. Kinderen of andere familie hadden ze niet. Je zag direct dat ze zich in dit vreemde land volkomen verloren voelden. Hun huiskamer was een Nederlandse huiskamer uit de jaren vijftig: de oude lampenkap, het pluchen tafelkleed, alles deed denken aan het Nederland van lang geleden dat al niet meer bestond. Ze spraken na al die jaren nog nauwelijks Spaans. Ze konden overleven omdat er in die omgeving genoeg mensen zijn die het Nederlands nog spreken of in ieder geval verstaan. Maar het Latijnse Argentinië, daar hadden ze absoluut niets mee. De eerste indruk was meteen: wat doen deze mensen hier; waarom zijn ze in vredesnaam geëmigreerd. Het waren zoekgeraakte mensen.

Ik leerde hen niet echt kennen, daarvoor was het contact te kort. Zelf woonde ik in die tijd in de stad Santa Fé, daarvandaan ongeveer 1000 kilometer naar het Noorden. Ik heb hen nooit weer gezien.

Jaren later vertelde een vriend uit die zuidelijke stad mij dat de man en vrouw kort na elkaar waren gestorven. Hij had hen goed gekend en vertelde mij toen hun geschiedenis. De jaren na de oorlog waren voor hen een tijd geweest van mishandeling en vernedering. Door iedereen werden ze verstoten, ook door de eigen familie waarvan iedereen in het verzet zou hebben gezeten. Na hun periode van gevangenschap zagen zij geen andere uitweg dan emigreren. Weg uit Nederland, waar voor hen geen plaats meer was. Ze werden emigranten tegen wil en dank die nooit van hun nieuwe land zouden kunnen houden. Verscheurd door heimwee en verdriet. Het land waar ze terecht kwamen, Argentinië, was voor hen met de term ‘het wrede paradijs’ (Hylke Speerstra) nog te mooi beschreven. Niks paradijs. Het was alleen maar wreed, zoals ook Nederland dat voor hen geworden was. Slechts een enkeling kreeg een beetje contact met hen. Ze leefden hoofdzakelijk achter gesloten deuren, wachtend op een verlossing die niet kwam.

De dood was voor hen beiden een bevrijding geweest, vermoedde de man die het mij vertelde. Eindelijk een plek waar geen mens hen meer kon verjagen en waar niemand hen meer kon veroordelen. Eindelijk veilig. De Argentijnse vriend vertelde mij over de afscheidsdienst die werd gehouden toen de man, als laatste van het echtpaar, was gestorven. Iemand had in het Nederlands de woorden van Psalm 4 gelezen, in de berijmde versie:

Ik kan gaan slapen zonder zorgen,
want slapend kom ik bij u thuis.
Alleen bij U ben ik geborgen.
Gij doet mij rusten tot de morgen
en wonen in een veilig huis.

Op 9 november 2007 verschenen in Centraal Weekblad.